PC 136 — PARITAIR COMITE VOOR DE PAPIER- EN KARTONBEWERKING
Minimumloon dat wij toetsen
€ 15,236 per uur
PC 136: klasse 7, het laagste niveau van de acht-traps loonschaal (HC en klassen 1 tot 7), 15,2360 €/u op 01/07/2026 in een 37-urenweek (salairesminimums.be, FOD WASO, subsector 1360001, "Indexering van 2,05% in 7/2026" — mechanisme algemeen verbindend verklaard bij cao 194518/CO/136, K.B. van 08/02/2026). Klasse 1 bedraagt 18,3061 €/u en HC (het hoogst gekwalificeerde niveau) 18,5134 €/u. Verschil ten opzichte van het laatst gecodeerde bedrag (14,8217 €/u op 01/07/2025): +2,80%.
Bron: salairesminimums.be (FOD Werkgelegenheid), pagina "Commission paritaire 1360001 — Transformation du papier et du carton", van kracht op 01/07/2026 — indexeringsmechanisme algemeen verbindend verklaard bij de CAO 194518/CO/136 van 08/07/2025 (K.B. van 08/02/2026, B.S. van 19/02/2026), hetzelfde mechanisme overgenomen door de CAO 197097/CO/136 van 17/12/2025 (K.B. ondertekend op 27/08/2026, nog niet in het Staatsblad gepubliceerd), tabel van de uurlonen, categorie « OUVRIERS », klasse 7 (37 u/week) — van kracht op 2026-07-01 de tekst lezen
Wat de loonbrief berekent
- het minimumloon
- de eindejaarspremie
- de maaltijdcheques
- de Dimona
Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen
- het flexiloon
- de uurpremies
- de verplaatsingskosten
- zondag en feestdagen
- de tijdelijke werkloosheid
- de sectorale bijdragen
Identiteit en indexering
- Officiële benaming : PARITAIR COMITE VOOR DE PAPIER- EN KARTONBEWERKING
- Registercode : 1360000
- Statuten : arbeiders
- Indexering : 01, 07 — laatst toegepast 2026-07-01
Wat het arbeidsreglement moet vermelden
Wekelijkse arbeidsduur: 37 uur
Lager dan het wettelijke maximum van 38 uur. Een reglement dat 38 uur vermeldt, is voor dit comité onwettig.
Referteperiode : er wordt geen algemene referteperiode opgelegd ; zij verschijnt enkel wanneer de arbeidsduurvermindering door spreiding wordt verwezenlijkt, en bedraagt dan dertien weken
Vanaf 1 november 1984 omvat de arbeidsweek 37 uren die moeten worden verricht in dagen van maximum 9 uren. De verkorting van de arbeidsduur van 40 tot 37 uren kan geschieden door een dagelijkse verkorting van de arbeidsduur, door een wekelijkse verkorting van de arbeidsduur, door een spreiding in de vorm van een gemiddelde over een periode van 13 weken, die eventueel weken van 6 dagen kan bevatten, door het toekennen van compensatiedagen, of door de combinatie van verschillende van deze mogelijkheden. Over de modaliteiten van deze arbeidstijdverkorting wordt onderhandeld op het niveau van de ondernemingen, rekening houdend met de technische, economische en sociale eigenheid ervan. Deze regeling is niet van toepassing op de ondernemingen van papieren hulzen.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 17 décembre 2025 « Conditions de travail et rémunération », art. 28, art. 29 et art. 39, al. 2 ; les salaires horaires minima de l'art. 2 sont fixés « sur la base de la semaine de 37 heures » ; effet au 1er juillet 2025, durée déterminée jusqu'au 30 juin 2027, prorogée d'année en année par tacite reconduction sauf dénonciation moyennant un préavis de trois mois (art. 40) · dépôt 197097/CO/136 · avis de dépôt MB 22/01/2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 août 2026 · gelezen op 2026-09-05
De normale werkdag is in twee delen verdeeld door een rusttijd van hoogstens twee uren. Indien een van de werktijden langer is dan 5 uren, wordt aan de arbeider een rusttijd van 10 minuten toegekend, zonder dat deze rusttijd mag worden aangerekend bij wijze van verlenging van de werkdag, noch mag worden afgetrokken van het loon. De arbeiders die in ploegen zijn tewerkgesteld hebben recht op een betaalde schafttijd, van minimum 15 minuten en maximum 30 minuten ; in ondernemingen waar gunstiger regelingen bestaan, blijven deze van toepassing.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 17 décembre 2025 « Conditions de travail et rémunération », art. 30, art. 31 et art. 32 (chapitre IX, non applicable aux entreprises de fabrication de tubes en papier — art. 39, al. 2) · dépôt 197097/CO/136 · avis de dépôt MB 22/01/2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 août 2026 · gelezen op 2026-09-05
In de normale arbeidsweek zijn begrepen, enerzijds, de tien feestdagen die bepaald zijn bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 — 1 januari, paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartdag, pinkstermaandag, 21 juli, o.-l.-v.-hemelvaart, Allerheiligen, 11 november en 25 december — en, anderzijds, twee dagen in gemeen overleg tussen de werkgever en de arbeiders vast te stellen (kermis, plaatselijk of gemeenschapsfeest of om het even welke andere dag).
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 17 décembre 2025 « Conditions de travail et rémunération », art. 33, a) et b) ; effet au 1er juillet 2025 · dépôt 197097/CO/136 · avis de dépôt MB 22/01/2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 août 2026 · gelezen op 2026-09-05
Ingeval er in twee ploegen wordt gewerkt, wordt aan het aldus tewerkgestelde personeel een toeslag van 6 pct. van het reële loon toegekend. Ingeval er in bijkomende ploegen wordt gewerkt, wordt de loontoeslag vastgesteld op het niveau van de onderneming in overeenstemming met de werkgevers- en werknemersorganisaties ; de toeslag voor werk in nachtploeg bedraagt minimum 15 pct. van het reële loon. Voor de overuren wordt een toeslag van 50 pct. toegekend, op 100 pct. gebracht vanaf het vijfde overuur dat op dezelfde dag wordt verricht — met uitzondering van de overuren die worden verricht op de vrije zaterdag in het stelsel van de 5-dagenweek —, voor de overuren die worden verricht tussen 22 en 6 uur, en voor die welke worden verricht op een zondag of feestdag. Behalve indien de arbeider daags tevoren hiervan werd verwittigd, verstrekt de onderneming hem een maaltijd of betaalt zij, bij ontstentenis ervan, een maaltijdvergoeding indien hij zijn werk moet voortzetten buiten zijn normale arbeidstijd zonder de mogelijkheid te hebben thuis te gaan eten.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 17 décembre 2025 « Conditions de travail et rémunération », art. 7 et art. 8 (chapitre III, primes d'équipes) et art. 9 à art. 11 (chapitre IV, surcharges pour heures supplémentaires) · dépôt 197097/CO/136 · avis de dépôt MB 22/01/2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 août 2026 · gelezen op 2026-09-05
De overuren die in de loop van een kwartaal werden gepresteerd en die, om redenen inherent aan de arbeidsorganisatie, niet kunnen worden gerecupereerd in de loop van het daaropvolgend kwartaal, komen in aanmerking voor uitbetaling na schriftelijk akkoord van de betrokken werknemer, ten belope van maximaal 91 uren per kalenderjaar ; de vakbondsafvaardiging wordt per kwartaal geïnformeerd over het aantal aldus behandelde uren. Daar waar noodzakelijk kan deze limiet van 91 uren worden uitgebreid tot 130 overuren per kalenderjaar via een collectieve arbeidsovereenkomst op bedrijfsniveau ; bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging in het bedrijf wordt deze verhoging tot 130 uur ingevoerd via de procedure voor wijziging van het arbeidsreglement, dit wil zeggen door inschrijving daarin. Daarnaast kunnen de overuren ten gevolge van buitengewone vermeerdering van werk of van dringende arbeid aan machines of materiaal, ten belope van maximum 65 uren, worden overgedragen naar de volgende referteperiode, op voorwaarde dat de inhaalrusten worden toegekend binnen de 3 maanden volgend op de periode waarin de overschrijding is gebeurd.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 17 décembre 2025 « Réglementation des heures supplémentaires », art. 2 §§ 1er et 2 et note infrapaginale 2, et art. 3 ; prise en application de l'art. 26bis, § 2bis et § 3 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ; effet au 1er janvier 2025, jusqu'au 30 juin 2027 · dépôt 197091/CO/136 · avis de dépôt MB 22/01/2026 · A.R. publié MB 20/04/2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 30 mars 2026 · gelezen op 2026-09-05
Vanaf 1 januari 2026 hebben de arbeiders recht op één betaalde dag anciënniteitsverlof vanaf het kalenderjaar waarin zij vijf jaar anciënniteit in de onderneming bereiken ; het verlof wordt toegekend vanaf het ogenblik waarop die anciënniteit is bereikt. Vanaf het kalenderjaar waarin de arbeider de leeftijd van 55 jaar bereikt, wordt de vereiste anciënniteit verminderd tot één jaar anciënniteit in de onderneming. Deze dag wordt verloond zoals een gepresteerde dag. Onder anciënniteit wordt de volledige periode van tewerkstelling van de arbeider in de onderneming verstaan ; maximum één jaar ononderbroken uitzendarbeid bij dezelfde werkgever in de hoedanigheid van gebruiker wordt gelijkgesteld, voor zover de aanwerving op die periode volgt, waarbij elke inactiviteit van zeven dagen of minder geldt als een periode van tewerkstelling als uitzendkracht. Ondernemingen die reeds meer dan één anciënniteitsdag toekennen, moeten één van de bestaande dagen herleiden naar vijf jaar anciënniteit, en die dag toekennen vanaf één jaar anciënniteit aan de arbeiders die de leeftijd van 55 jaar bereiken ; de overige door de onderneming toegekende dagen blijven ongewijzigd.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 17 décembre 2025 « Ancienneté », art. 2 §§ 1er à 3, art. 3 et art. 4 ; effet au 1er janvier 2026, durée indéterminée ; remplace la CCT du 9 novembre 2021 (168440/CO/136, A.R. du 15 mars 2022, MB 04/05/2022), qui cesse de produire ses effets le 31 décembre 2025 · dépôt 197088/CO/136 · avis de dépôt MB 22/01/2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 août 2026 · gelezen op 2026-09-05
Alle werkgevers van het Paritair Comité 136 die lid zijn van de Verlofkas van de papierverwerkende en grafische nijverheid (VPN) zijn van rechtswege aangesloten bij het Vakantiefonds van de Belgische houtnijverheid. In toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 januari 1940, gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 juli 2012, kunnen de werkgevers van PC 136 zich naar keuze aansluiten hetzij bij de Vakantiekas van de houtindustrie, hetzij bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 8 décembre 2016 relative à l'affiliation de plein droit des entreprises de la CP 136 à la Caisse des congés payés de l'industrie du bois en Belgique, art. 1er à art. 3 ; effet au 1er janvier 2017, durée indéterminée ; remplace la CCT du 8 septembre 2016 (135591/CO/136) · dépôt 136874/CO/136 · avis de dépôt MB 18/01/2017 · A.R. publié MB 09/10/2017, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 30 août 2017 · gelezen op 2026-09-05