mijnloonbrief.be

PC 216 — PARITAIR COMITE VOOR DE NOTARISBEDIENDEN

Minimumloon dat wij toetsen

€ 2 304,30 per maand

PC 216 (bedienden bij notarissen): niveau 1, anciënniteit 0 — 2.304,30 EUR/maand op 01/09/2026 (indexering van 1,3 % in 9/2026; 2.274,73 EUR/maand van 01/05 tot 31/08/2026 — officieel rooster van de FOD Werk, indexeringsclausule van de cao van 14/06/2018, algemeen verbindend verklaard). Dat is het laagste vakje van het rooster: elke andere functiegroep (2A, 2B, 3A, 3B, 4A, 4B) en elke anciënniteit geven recht op meer, tot 6.776,30 EUR/maand. Het gewaarborgd minimuminkomen van de cao nr. 43 blijft daarbovenop verschuldigd.

Bron: Databank "Minimumlonen" van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, paritair comité 2160000 (administratieve primaire bron), die de loonschaal van de CAO van 25/01/2005 consolideert, laatst gewijzigd door die van 28/06/2019 (neerlegging 152881, bijlage 3), en haar sectorale indexeringen, sectie 1 « SALAIRES : EMPLOYES », niveau 1, anciënniteit 0 (neerlegging 152881) — van kracht op 2026-09-01 de tekst lezen

Wat de loonbrief berekent

  • het minimumloon
  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • het flexiloon
  • de eindejaarspremie
  • de maaltijdcheques
  • de ecocheques
  • de verplaatsingskosten
  • het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid
  • zondag en feestdagen
  • de sectorale bijdragen

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR COMITE VOOR DE NOTARISBEDIENDEN
  • Registercode : 2160000
  • Statuten : bedienden
  • Indexering : 01, 05, 09 — laatst toegepast 2026-09-01

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Wekelijkse arbeidsduur: 37 u 30

Lager dan het wettelijke maximum van 38 uur. Een reglement dat 38 uur vermeldt, is voor dit comité onwettig.

De maximumgrens van de wekelijkse arbeidsduur wordt ingekort van negenendertig uren tot zevenendertig uren en dertig minuten. De wekelijkse arbeidsduur wordt gespreid over vijf dagen ; de gewone dag van inactiviteit wordt vastgesteld op zaterdag. Die duur van 37 uur 30 is gunstiger dan de wettelijke grens van 38 uren, vastgesteld door artikel 2, § 2, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, in werking op 1 januari 2003 : het is die duur die zich aan de werkgever van de sector opdringt.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 20 avril 1978 relative à la durée du travail hebdomadaire, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés du notariat, art. 2 et art. 3 — annexe à l'A.R. du 10 août 1978, Moniteur belge du 17 octobre 1978, p. 12325 (page rendue en image et lue : le PDF du Moniteur n'a pas de couche de texte). Son art. 4 la faisait cesser au 1er janvier 1981, MAIS l'art. 2 de la CCT du 14 septembre 1981 (« Prorogation des conventions collectives de travail du 20 avril 1978 ») la proroge « à partir du 1er janvier 1981, pour une durée indéterminée », avec faculté de dénonciation moyennant un préavis de trois mois — annexe à l'A.R. du 21 janvier 1982, Moniteur belge du 13 février 1982, p. 1479. Aucun acte royal abrogatoire n'a été trouvé, index ELI du Moniteur dépouillé de 1967 à 1999 et registre du SPF Emploi relu pour 1998-2026 · NUMAC 1978081031, prorogée par NUMAC 1982000199, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 10 août 1978, prorogé par l'A.R. du 21 janvier 1982 · gelezen op 2026-09-05

Gedurende ieder kalenderjaar genieten de voltijds tewerkgestelde bedienden van vijf zogenaamde sectorale verlofdagen : de drie verlofdagen oorspronkelijk voorzien in artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 november 2000, de verlofdag voorzien door artikel 21 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 1989, toegekend ter gelegenheid van de feesten van de gemeenschappen en gewesten, en een extra dag toegekend in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 december 2022. De sociale partners behouden zich het recht voor om deze dagen of sommige van deze dagen toe te kennen in de vorm van collectieve sluitingsdagen ; in voorkomend geval worden de sluitingsdagen van een jaar uiterlijk op 15 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de overeenkomst betrekking heeft vastgelegd, via het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst. Wanneer van die mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, wordt de datum van de sectorale verlofdagen vastgesteld in overeenstemming met de modaliteiten van het arbeidsreglement met betrekking tot het vaststellen van een verlofdag : het arbeidsreglement moet die modaliteiten dus bevatten. Voor de bedienden die tijdens het jaar in dienst treden wordt het recht pro rata de duur van de effectieve tewerkstelling tijdens het lopende kalenderjaar berekend, en het recht wordt pro rata het arbeidsregime berekend ; worden deze dagen echter toegekend in de vorm van collectieve sluitingsdagen, dan hebben alle bedienden die in dienst zijn op het moment waarop deze dagen vallen er recht op, en hebben de deeltijds tewerkgestelde bedienden er recht op onafhankelijk van het resultaat van de pro rata berekening.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 9 octobre 2019 relative à la mise en oeuvre, dans le secteur, de l'accord interprofessionnel pour les années 2019-2020 et à d'autres mesures, art. 8 — son § 1er, qui portait trois jours, a été abrogé et remplacé par l'art. 3 de la CCT du 24 octobre 2022 (dépôt 176489, A.R. du 18 avril 2023, M.B. du 30 mai 2023) qui l'a porté à quatre jours, puis par l'art. 3 de la CCT du 7 décembre 2022 (dépôt 177337, A.R. du 7 juin 2023, M.B. du 26 juin 2023) qui le porte à cinq ; les deux modifications produisent leurs effets le 1er janvier 2023. Le § 6 du même article 8 abroge les articles 5 et 6 de la CCT du 29 novembre 2000. Le quatrième de ces jours vient de l'art. 21 de la CCT du 2 février 1989, réécrit par l'art. 3 de la CCT du 24 octobre 2022 (dépôt 176488, A.R. du 16 avril 2023, M.B. du 25 mai 2023, NUMAC 2023/201476, pages 49696 à 49698) · dépôt 154922/CO/216, modifié par les dépôts 176489/CO/216 et 177337/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 juillet 2020 (M.B. du 10 août 2020) pour la CCT du 9 octobre 2019 · gelezen op 2026-09-05

Collectieve sluitingsdagen. Voor 2025 vier dagen : vrijdag 2 mei, vrijdag 30 mei, maandag 10 november en vrijdag 26 december ; de bedienden genieten in 2025 daarnaast van een verlofdag waarvan de datum wordt vastgesteld in overeenstemming met de modaliteiten van het arbeidsreglement met betrekking tot het vaststellen van een verlofdag. Voor 2026 drie dagen : vrijdag 2 januari, vrijdag 15 mei en maandag 20 juli ; de bedienden genieten in 2026 daarnaast van twee verlofdagen waarvan de datum op dezelfde wijze wordt vastgesteld. ⚠️ deze data gelden slechts tot 31 december 2026 : de overeenkomst die ze vastlegt treedt die dag buiten werking. De sluitingsdagen van 2027 moeten uiterlijk op 15 december 2026 bij een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst worden vastgelegd ; in het register van de FOD Werkgelegenheid, geraadpleegd op 05/09/2026, bestaat zij nog niet. De overeenkomst is niet van toepassing op de personen tewerkgesteld in het kader van een studentenovereenkomst, noch op de personen tewerkgesteld via een arbeidsovereenkomst afgesloten in het kader van een speciaal door of met steun van de overheid uitgevoerd opleidings-, arbeidsinpassings- en omscholingsprogramma.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 28 novembre 2024 relative aux jours de fermeture collective pour 2025 et 2026, art. 1er (champ), art. 2 (2025) et art. 3 (2026), pris en application de l'art. 8, § 2 et § 3, de la CCT du 9 octobre 2019 ; art. 4 : « La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 2025 et cessera d'être en vigueur le 31 décembre 2026 » · dépôt 191187/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 30 octobre 2025 (M.B. du 13 novembre 2025) · gelezen op 2026-09-05

Anciënniteitsverlof : iedere werknemer heeft recht op een aanvullende verlofdag per schijf van 5 jaar anciënniteit in de onderneming. Die regel verving op 1 oktober 2019 die van artikel 20 van de overeenkomst van 1989, dat de anciënniteit IN HET notariaat telde en de eerste dag pas na tien jaar dienst opende. ⚠️ zij verandert opnieuw op 1 januari 2027 : de collectieve arbeidsovereenkomst van 1 juli 2026 heft haar op en vervangt haar — een eerste bijkomende vakantiedag zodra de werknemer 3 jaar anciënniteit bereikt, vervolgens een bijkomende dag bij 10, 15, 20 jaar en zo verder per bijkomende schijf van 5 jaar ; onder anciënniteit wordt de periode verstaan gedurende welke de werknemer zonder onderbreking in dienst is gebleven bij dezelfde onderneming ; het verlof wordt verworven vanaf 1 januari van het jaar waarin de werknemer de vereiste anciënniteit bereikt ; de deeltijds tewerkgestelde werknemers genieten ervan naar rato van hun prestaties op 1 januari van het lopende jaar ; wie op 1 januari 2027 reeds minstens 3 maar nog geen 5 jaar anciënniteit heeft, geniet de eerste dag. Die overeenkomst van 2026 droeg, in het register geraadpleegd op 05/09/2026, noch een koninklijk besluit noch een datum van bericht van neerlegging in het Belgisch Staatsblad.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 9 octobre 2019, art. 6 — son art. 7 abroge l'article 20 de la CCT du 2 février 1989 (l'alinéa 4 de cet article 20 avait déjà été abrogé par l'art. 8, § 2, de la CCT du 25 avril 2006) ; abrogé et remplacé, à partir du 1er janvier 2027, par l'art. 2 de la CCT du 1er juillet 2026 relative au congé d'ancienneté (dépôt 201184/CO/216, déposée le 06/07/2026, enregistrée le 17/08/2026 ; `royalDecreeDate` et `noticeDepositMBDate` vides au registre lu le 05/09/2026) · dépôt 154922/CO/216, à modifier par le dépôt 201184/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 juillet 2020 (M.B. du 10 août 2020) pour la CCT du 9 octobre 2019 · gelezen op 2026-09-05

Leeftijdsgebonden verlofdagen, die cumuleerbaar zijn. Eén bijkomende verlofdag wordt toegekend aan de bedienden die ouder zijn dan 60 jaar en dit vanaf het jaar waarin zij de leeftijd van 60 jaar bereiken. Voor zover zij een minimale anciënniteit van 10 jaar kunnen rechtvaardigen, wordt een bijkomende verlofdag toegekend aan de bedienden ouder dan 62 jaar vanaf het jaar waarin zij de leeftijd van 62 bereiken, en nog een aan de bedienden ouder dan 64 jaar vanaf het jaar waarin zij de leeftijd van 64 bereiken. Daarnaast wordt een bijkomende verlofdag toegekend aan iedere bediende die ouder is dan 62 jaar vanaf het jaar waarin hij de leeftijd van 62 bereikt, zonder anciënniteitsvoorwaarde ; de commentaar bij die laatste bepaling stelt dat deze dag « een aanvulling vormt op, in voorkomend geval, de verlofdag die wordt toegekend in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 september 2017 aan de werknemers ouder dan 62 jaar mits het rechtvaardigen van minstens 10 jaar anciënniteit ».
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 8 avril 2016 relative à l'utilisation de la marge salariale fixée par la loi du 28 avril 2015 et à d'autres mesures, art. 4 (plus de 60 ans), dépôt 133424, A.R. du 23 mars 2019 ; CCT du 28 septembre 2017 relative à la mise en oeuvre de l'accord interprofessionnel 2017-2018, art. 8 et art. 9 (plus de 62 et plus de 64 ans, 10 ans d'ancienneté), dépôt 142404, A.R. du 15 juillet 2018 ; CCT du 9 octobre 2019, art. 5 et son commentaire (plus de 62 ans, sans condition d'ancienneté), dépôt 154922, A.R. du 8 juillet 2020 — les trois conventions sont conclues pour une durée indéterminée et aucune n'abroge les précédentes sur ce point · dépôts 133424/CO/216, 142404/CO/216 et 154922/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. des 23 mars 2019, 15 juillet 2018 et 8 juillet 2020 · gelezen op 2026-09-05

Verlofdag die het stilvallen van de baremieke opbouw compenseert. Indien de bediende het niveau 40 in een loonschaal heeft bereikt en bijgevolg niet meer geniet van een tweejaarlijkse loonsverhoging, geniet hij vanaf het daaropvolgende jaar van een bijkomende verlofdag. Bevindt de bediende zich daarna, telkens na afloop van een periode van vijf jaren, nog steeds op het niveau 40 van dezelfde loonschaal, dan geniet hij telkens van nog een bijkomende verlofdag. Van zodra de bediende in een nieuwe loonschaal terechtkomt, lager dan niveau 40, geniet hij opnieuw van de jaarlijkse of tweejaarlijkse automatische verhoging in die nieuwe loonschaal, en verliest hij de bijkomende verlofdag of -dagen die hij eerder met toepassing van dat lid zou bekomen hebben.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 25 janvier 2005 déterminant la classification de fonctions et les conditions de rémunération, art. 12, § 1er, alinéa 3 — dont la deuxième phrase a été remplacée par l'art. 9 de la CCT du 25 avril 2006 relative à l'évolution des salaires 2005-2006 (dépôt 79928, A.R. du 24 septembre 2006), qui lui donne la rédaction citée ici · dépôt 73935/CO/216, modifié par le dépôt 79928/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 6 décembre 2005 (M.B. du 17 février 2006) · gelezen op 2026-09-05

De bijkomende verlofdagen die reeds in de arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement werden toegekend, blijven verworven. Een werkgever kan ze dus niet intrekken op grond van het feit dat het paritair comité sindsdien sectorale verlofdagen heeft ingevoerd. Evenzo behouden de bedienden die recht hadden op bijkomende vakantiedagen dat recht persoonlijk.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 29 novembre 2000 contenant l'utilisation de la marge salariale disponible, art. 7 — les articles 5 et 6 de cette convention ont été abrogés par l'art. 8, § 6, de la CCT du 9 octobre 2019, mais son article 7 ne l'a pas été. La règle du droit personnel conservé figurait déjà à l'art. 20, alinéa 2, de la CCT du 2 février 1989 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8194), article abrogé depuis le 1er octobre 2019 · dépôt 63402/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 3 mai 2003 (M.B. du 2 juillet 2003) · gelezen op 2026-09-05

🛑 de sector stelt noch de wijze, noch het tijdstip, noch de plaats van de uitbetaling van het maandloon vast. De basisovereenkomst van 2 februari 1989 werd volledig gelezen : haar dertien hoofdstukken bevatten geen enkele bepaling over de uitbetaling van het loon, en geen enkele latere overeenkomst uit het register voegt er een toe. Het arbeidsreglement moet die rubriek dus zelf invullen, op grond van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon. De enige betalingstermijn die de sector vastlegt is die van de eindejaarspremie : « De uitbetaling van de eindejaarspremie dient te gebeuren : uiterlijk op 20 december voor de bedienden die in de loop van die maand in dienst zijn ; uiterlijk de dag van het vertrek voor de bedienden die uit dienst treden volgens één van de hierboven bepaalde gevallen. »
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 2 février 1989 fixant les conditions de travail et de rémunération des employés occupés chez les notaires, chapitre IX, art. 24, dernier alinéa — annexe à l'A.R. du 8 avril 1989, Moniteur belge du 12 mai 1989, p. 8196 (page rendue en image et lue : le PDF du Moniteur n'a pas de couche de texte) ; convention devenue à durée indéterminée par l'art. 8 de la CCT du 20 juin 1991 (A.R. du 27 mai 1992, M.B. du 23 juin 1992, p. 14237) · 22088/CO/216, NUMAC 1989012244, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 avril 1989 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8186) · gelezen op 2026-09-05

🛑 de sector stelt geen eigen opzeggingstermijn vast : het zijn de termijnen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten die gelden, en daarnaar moet het arbeidsreglement verwijzen. De sector legt daarentegen twee regels vast bij de beëindiging van de arbeidsrelatie. Enerzijds : « Zonder afbreuk te doen aan het principe van het gezag van de werkgever en ten einde — volgens de economische mogelijkheden van de kantoren — de vastheid van betrekking te waarborgen, dienen eventuele ontslagen te geschieden mits bepaalde regels inzake billijkheid in acht worden genomen. In geval van ontslagen die te wijten zijn aan bijzondere economische omstandigheden, dient er een orde van voorrang in acht te worden genomen, rekening houdend onder meer met de bevoegdheid, de verdienste, de specialisatie, de leeftijd, de anciënniteit en de gezinslasten. Evenzo zal er bij het opnieuw in dienst nemen rekening worden gehouden met gelijkaardige criteria. » Anderzijds : « Het ontslag, het overlijden of de afzetting van de titularis van de studie brengt geen enkele verandering mee in het statuut of de rechten van het bediendenpersoneel. »
Rubriek 4° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 2 février 1989, chapitre IV « Renvoi et réembauchage », art. 16 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8194) et chapitre VII « Sécurité d'emploi », art. 22 (p. 8195) — pages rendues en image et lues. La convention antérieure du 16 mai 1973 (A.R. du 20 décembre 1973) portait, elle, une indemnité liée au délai de préavis en cas de décès ou de destitution du notaire ; le texte de 1989 ne l'a pas reprise · 22088/CO/216, NUMAC 1989012244, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 avril 1989 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8186) · gelezen op 2026-09-05

Bescherming van de bediende die zetelt in het paritair comité of in een instelling met sociaal karakter. De werkgever die overweegt een dergelijke bediende te ontslaan, behoudens om dringende reden, moet het geval voorafgaandelijk bij aangetekende brief voorleggen aan het verzoeningsbureau van het paritair comité, opgericht door de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 november 1996. De maatregel tot ontslag mag niet worden uitgevoerd tijdens de duur van die procedure. De deelname van de bediende aan de in die overeenkomst beoogde vergaderingen vormt overigens geen motief om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst.
Rubriek 4° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 5 décembre 2008 relative à la participation aux réunions des institutions à caractère social, art. 8, alinéa 2, et art. 10 — le bureau de conciliation qu'elle vise est celui créé par la CCT du 19 novembre 1996, antérieure au registre en ligne du SPF Emploi · dépôt 90164/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 19 mai 2009 (M.B. du 14 juillet 2009) · gelezen op 2026-09-05

Afwezigheden voor de vergaderingen van het paritair comité en van de instellingen met sociaal karakter. Bepaalde bedienden hebben het recht van de werkplek afwezig te zijn om de vergaderingen van het paritair comité en van de instellingen met sociaal karakter bij te wonen, met behoud van het normale loon ten laste van de werkgever en zonder aanrekening op de verlofdagen. Het recht geldt voor de officiële en voorbereidende vergaderingen van het paritair comité, en voor de algemene vergaderingen en raden van bestuur van het Sociaal Fonds voor notarisbedienden, de Nationale Kas voor Aanvullend Pensioen voor Klerken en Notarisbedienden, het Notarieel Vormingsinitiatief (Notavi), het Financieringsfonds voor de Tewerkstelling in het Notariaat, de Sociale Diensten van het Notariaat, en de andere instellingen opgericht ter uitvoering van collectieve arbeidsovereenkomsten. Genieten ervan : de bedienden die lid zijn van het paritair comité, en de bedienden-vertegenwoordigers van het personeel die lid zijn van de algemene vergadering of van de raad van bestuur van de betrokken instelling. Indien meerdere bedienden bij dezelfde werkgever ervan genieten, kunnen zij niet tegelijkertijd van de werkplek afwezig zijn. De bediende brengt zijn werkgever tijdig op de hoogte van de door hem beklede mandaten en van de voorziene data van de vergaderingen. Elk beding van de individuele arbeidsovereenkomst dat strijdig is met deze bepalingen is nietig.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 5 décembre 2008 relative à la participation aux réunions des institutions à caractère social, art. 2 à 7 et art. 9 — conclue pour une durée indéterminée ; son art. 11 abroge et remplace la CCT du 19 mars 1997 relative au règlement des absences pour assister aux réunions des institutions à caractère social · dépôt 90164/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 19 mai 2009 (M.B. du 14 juillet 2009) · gelezen op 2026-09-05

Ouderschapsverlof van een tiende : van 1 juli 2026 tot 31 december 2027 is de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof onder de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties met één tiende door een voltijds tewerkgestelde werknemer niet onderworpen aan het akkoord van de werkgever. De overige wettelijke en reglementaire bepalingen inzake ouderschapsverlof blijven onverkort van toepassing. De overeenkomst is van toepassing op de 1/10-ouderschapsverloven waarvan de aanvangsdatum of verlenging binnen haar geldigheidsduur valt, en is niet van toepassing op de personen tewerkgesteld in het kader van een studentenovereenkomst, van een flexi-jobarbeidsovereenkomst, of via een arbeidsovereenkomst afgesloten in het kader van een speciaal door of met steun van de overheid uitgevoerd opleidings-, arbeidsinpassings- en omscholingsprogramma.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 1er juillet 2026 relative au congé parental sous la forme d'une réduction des prestations de travail d'un dixième, art. 1er, art. 2 et art. 3 — conclue pour une durée déterminée, elle produit ses effets le 1er juillet 2026 et cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2027. Pas d'arrêté royal au registre lu le 05/09/2026, mais un avis de dépôt au Moniteur belge daté du 17/08/2026 (`noticeDepositMBDate`) : quinze jours plus tard, l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 lie les employeurs de la commission pour ce qui touche aux relations individuelles de travail · dépôt 200890/CO/216 · gelezen op 2026-09-05

Vanaf 1 januari 2022 heeft elke bediende een individueel recht op 5 opleidingsdagen per jaar. Dat recht volgt op de 4 dagen per jaar die vanaf 1 januari 2020 openstonden en op de 3 dagen per jaar die vanaf 1 januari 2018 openstonden. Het groeipad voorzien in artikel 13 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk wordt jaarlijks binnen het paritair comité besproken, dat beoordeelt of het opportuun is dat aantal te verhogen.
Rubriek 18° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 6 décembre 2021 relative à la mise en oeuvre de l'accord social pour les années 2021-2022 et à d'autres mesures, art. 4 — conclue pour une durée indéterminée ; elle succède à l'art. 3 de la CCT du 9 octobre 2019 (4 jours au 1er janvier 2020, dépôt 154922) et à l'art. 6 de la CCT du 28 septembre 2017 (3 jours au 1er janvier 2018, dépôt 142404) · dépôt 169102/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 9 mai 2022 (M.B. du 11 octobre 2022) · gelezen op 2026-09-05

Modaliteiten van de opleidingsdagen, die nooit werden opgeheven. De werkgevers kennen aan de bedienden tewerkgesteld in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur vijf volledige of tien halve opleidingsdagen toe per periode van twee jaar ; de deeltijds tewerkgestelde bedienden genieten van dat recht naar evenredigheid met hun arbeidsregime. Het recht op opleiding geldt niet voor de bedienden die in opzegging zijn of die zijn aangeworven in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar of minder. De opleidingsdagen moeten rechtstreeks verband houden met de beroepsactiviteit van de bediende : het gaat voornamelijk over opleidingen door de sector zelf georganiseerd of over externe opleidingen met datzelfde rechtstreekse verband. De werkgever heeft de keuze van de opleiding(en) ; de bediende mag er niettemin een voorstellen, en de werkgever beoordeelt dan het rechtstreekse verband met de beroepsactiviteit. In principe moeten de opleidingen bij voorkeur tijdens de werkuren plaatsvinden ; vinden zij om organisatorische redenen buiten de werkuren plaats, dan moet de werkgever een gelijke compensatie in werktijd toekennen zonder dat dit recht geeft op overloon. Ten slotte mag geen enkele verplichting worden opgelegd om uren te recupereren aan de bediende die tijdens de werkuren de cursussen voor beroepsopleiding volgt die worden ingericht door de Federatie van de Notarissen en de Beroepsvereniging van het Notarispersoneel ; de inschrijving voor die cursussen is vrij.
Rubriek 18° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 25 avril 2006 relative à l'évolution des salaires 2005-2006 et à d'autres dispositions, art. 8, § 1er — conclue pour une durée indéterminée ; son § 2 abroge les articles 20, alinéa 4, et 26 de la CCT du 2 février 1989. L'interdiction d'imposer une récupération d'heures est l'art. 27 de cette convention de 1989 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8196), qui n'a pas été abrogé. Aucune convention postérieure du registre, lu le 05/09/2026, n'abroge l'art. 8 de la CCT de 2006 · dépôt 79928/CO/216, et 22088/CO/216 pour l'art. 27, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 24 septembre 2006 (M.B. du 13 novembre 2006) · gelezen op 2026-09-05

Het arbeidsreglement verwijst naar de sectorale overeenkomsten over het kort verzuim. De basisovereenkomst kent, onverminderd het koninklijk besluit van 28 augustus 1963, een bijkomende verlofdag met behoud van het normale loon toe ter gelegenheid van het huwelijk van de werknemer en van de bevalling van de echtgenote van de werknemer ; en de dagen kort verzuim die samenvallen met een gewone dag van inactiviteit — in deze sector de zaterdag — worden vervangen door de normale werkdag die de gebeurtenis voorafgaat of die erop volgt. Van 1 juli 2026 tot 31 december 2027 vult een afzonderlijke overeenkomst het rouwverlof aan : tien bijkomende dagen betaalde afwezigheid bij overlijden van de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner, van een kind van de werknemer of van zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner ; twee dagen bij overlijden van de vader, moeder, schoonvader, stiefvader, schoonmoeder of stiefmoeder ; drie dagen bij overlijden van een broer, zuster, schoonbroer, schoonzuster, van de grootvader, de grootmoeder, van een kleinkind, overgrootvader, overgrootmoeder, achterkleinkind, schoonzoon, schoondochter of samenwonende partner die bij de werknemer inwoont ; twee dagen bij overlijden van een pleegkind in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden. Deze bijkomende dagen worden onmiddellijk aansluitend opgenomen op de dagen van betaalde afwezigheid die worden toegekend in toepassing van het koninklijk besluit van 28 augustus 1963, tenzij anders overeengekomen tussen de werknemer en de werkgever. Indien het aantal afwezigheidsdagen door de regelgeving wordt verhoogd, wordt het aantal dagen toegekend op basis van de overeenkomst verminderd ten belope van die verhoging.
Rubriek 16° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 2 février 1989, chapitre VIII « Petits chômages », art. 23 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8195, page rendue en image et lue), complété par la CCT du 1er juillet 2026 relative à l'extension du congé de deuil (petits chômages), art. 2 — conclue pour une durée déterminée, elle produit ses effets le 1er juillet 2026 et cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2027. C'est son art. 2, § 1er, qui donne la référence de publication de la convention de base : « l'article 23 de la convention collective de travail du 2 février 1989 déterminant les conditions de travail et de rémunération des employés occupés chez les notaires (MB 12 mai 1989) ». Pas d'arrêté royal au registre lu le 05/09/2026 pour la convention de 2026 ; avis de dépôt au Moniteur belge du 17/08/2026 · 22088/CO/216 et dépôt 200889/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 avril 1989 (M.B. du 12 mai 1989, p. 8186) pour la CCT de 1989 · gelezen op 2026-09-05

Het arbeidsreglement verwijst naar de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst die de indexering van de lonen regelt. De barema's die de minimumlonen vaststellen alsook de effectieve lonen worden gekoppeld aan het afgevlakte gezondheidsindexcijfer dat maandelijks wordt vastgesteld door de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden elke vier maanden geïndexeerd, in januari, mei en september van elk jaar. De indexering is gelijk aan een percentage gelijk aan de som van de indexcijfers van de vier maanden die voorafgaan aan de maand waarin de indexering moet worden toegepast, gedeeld door de som van de indexcijfers van de vier maanden die aan die vier maanden voorafgaan. Het resultaat wordt afgerond op twee decimalen : is het derde decimaal gelijk aan of lager dan 4, dan blijft het tweede decimaal ongewijzigd ; is het hoger dan 4, dan wordt het tweede decimaal afgerond tot het hogere honderdste. De maandlonen van de bedienden worden volgens dezelfde modaliteiten afgerond op de eurocent.
Rubriek 16° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 25 janvier 2005 déterminant la classification de fonctions et les conditions de rémunération, art. 16 — abrogé et remplacé par l'art. 2 de la CCT du 14 juin 2018 (dépôt 146629, A.R. du 7 octobre 2018, M.B. du 6 novembre 2018), en vigueur le 1er janvier 2018, qui lui donne la rédaction citée ici. Elle succède aux articles 17 à 19 de la CCT du 2 février 1989, qui liaient déjà les barèmes à l'indice des prix à la consommation avec une adaptation tous les quatre mois. Les barèmes eux-mêmes sont portés par l'annexe 3, remplacée par la CCT du 28 juin 2019 (dépôt 152881, A.R. du 20 novembre 2019) · dépôt 73935/CO/216, modifié par le dépôt 146629/CO/216, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 6 décembre 2005 (M.B. du 17 février 2006) · gelezen op 2026-09-05

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 216