PC 308 — PARITAIR COMITE VOOR DE MAATSCHAPPIJEN VOOR HYPOTHECAIRE LENINGEN EN VOOR KAPITALISATIE (SEDERT 01/10/2017 OPGEHEVEN)
Minimumloon dat wij toetsen
€ 1 703,94 per maand
PC 308 (OPGEHEVEN sinds 01/10/2017 — de sector van de spaarbanken ging over naar PC 310, cao van 19/06/2017, neerlegging 141328): categorie 1, uitvoerend personeel, 0 jaar ervaring (1 598,71 €/maand op 01/02/2012). Dit is het LAATSTE loonbarema teruggevonden in het register vóór de opheffing — geen latere aanpassing werd teruggevonden. Historische waarde, niet als actuele ondergrens te behandelen. Op 01/09/2017 — het laatste rooster dat de FOD Werk voor dit comité publiceert — bedraagt die ondergrens 1.703,94 EUR/maand (indexering van 0,12 % in 09/2017); het studententarief bedraagt er 1.533,55 EUR/maand. ⚠️ DE INDEXERINGSCLAUSULE IS OP 17/09/2026 ONDERZOCHT, EN ER ONTBREEKT GEEN ENKELE TRAP: artikel 7 van de cao van 03/07/2008 (neerlegging 88952, K.B. van 13/06/2010) koppelt het ervaringsbarema aan de gezondheidsindex en past het om de TWEE maanden aan; de databank Minimumlonen publiceert die cadans op de oneven maanden tot 01/09/2017, en de volgende aanpassing zou op 01/11/2017 gevallen zijn — na de opheffing van 01/10/2017.
Bron: CAO van 9 februari 2012 tot wijziging van de bijlage bij de CAO van 3 juli 2008 betreffende het loonsysteem voor PC 308, art. 1 (toepassingsgebied), art. 4 (inwerkingtreding), bijlage « Barème d'expérience », tabel EURO, kolom Cat 1 / Personnel d'exécution, 0 jaar beroepservaring (neerlegging 108631) — van kracht op 2017-09-01 de tekst lezen
Wat de loonbrief berekent
- het minimumloon
- de Dimona
Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen
- de eindejaarspremie
- de ecocheques
- de verplaatsingskosten
- de sectorale bijdragen
Identiteit en indexering
- Officiële benaming : PARITAIR COMITE VOOR DE MAATSCHAPPIJEN VOOR HYPOTHECAIRE LENINGEN EN VOOR KAPITALISATIE (SEDERT 01/10/2017 OPGEHEVEN)
- Registercode : 3080000
- Statuten : arbeiders en bedienden
Wat het arbeidsreglement moet vermelden
Wekelijkse arbeidsduur: 35 u 30
Lager dan het wettelijke maximum van 38 uur. Een reglement dat 38 uur vermeldt, is voor dit comité onwettig.
Ondernemingen die op 30 juni 2017 onder het PC 308 ressorteerden en die op dezelfde datum ingeschreven waren op de lijst 1B Spaarbanken en spaarkassen — overgegaan naar het PC 310 op 1 juli 2017: 35 uur
CCT du 19 juin 2017 relative au passage des banques d'épargne de la CP 308 à la CP 310, art. 4 — « À partir du 1er juillet 2017, un temps de travail moyen de 35 heures par semaine ou, exprimé autrement, de 219 jours de 7 heures et 24 minutes sur une base annuelle, est d'application dans les entreprises concernées » ; champ d'application défini à l'art. 1er · dépôt 141328/CO/308 · avis de dépôt M.B. du 27 septembre 2017 · A.R. publié au M.B. du 9 mars 2018, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 25 février 2018 · gelezen op 2026-09-05
Referteperiode : jaarlijks gemiddelde : 1.640 uur per jaar, hetzij 231 dagen (bankholidays uitgezonderd) van 7 uur en 6 minuten, op 365 kalenderdagen met inbegrip van 104 zaterdagen en zondagen, 20 wettelijke vakantiedagen, 10 wettelijke feestdagen en 3 bankholidays
De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur bedraagt 35 uur 30, hetzij 1.640 uur op jaarbasis. Zij vloeit voort uit de geleidelijke vermindering, vanaf 36 uur (1.663,2 uur op jaarbasis), van de arbeidsduur vastgesteld bij de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst van 10 maart 1983 : voor de ondernemingen die die arbeidsduur nog niet bereikten, werd de vermindering in fasen bereikt, met één dag vanaf 1 september 1999, een tweede bijkomende dag vanaf 1 januari 2000 en een derde bijkomende dag vanaf 1 september 2000.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 18 juin 1999, « Accord 1999-2000 », chapitre III « Diminution de la durée du travail », art. 5, modifiant l'art. 3 § 1er, al. 2 de la CCT du 10 mars 1983 concernant l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi (A.R. du 18 juillet 1983, NUMAC 1983012562, M.B. du 20 août 1983, p. 10462) — valeurs relues sur le PDF rendu en image, sa couche de texte perdant une partie des chiffres · dépôt 53135/CO/308 · avis de dépôt M.B. du 17 décembre 1999 · A.R. publié au M.B. du 28 décembre 2001, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 29 novembre 2001 · gelezen op 2026-09-05
Op ondernemingsvlak kunnen minstens gelijkwaardige varianten van deze arbeidsduurvermindering worden vastgesteld door een wijziging van het arbeidsreglement. Voor de ondernemingen zonder ondernemingsraad worden die wijzigingen ter goedkeuring aan het paritair comité 308 voorgelegd vooraleer zij in werking kunnen treden.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 18 juin 1999, « Accord 1999-2000 », art. 5, alinéas 3 et 4 · dépôt 53135/CO/308 · avis de dépôt M.B. du 17 décembre 1999 · A.R. publié au M.B. du 28 décembre 2001, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 29 novembre 2001 · gelezen op 2026-09-05
Overeenkomstig de decreten van de Cultuurraden wordt een speciale feestdag toegekend : op 11 juli voor de personeelsleden tewerkgesteld in het Nederlands taalgebied, op 27 september voor de personeelsleden tewerkgesteld in Frans taalgebied. Voor de personeelsleden tewerkgesteld in de Brusselse agglomeratie of in het Duits taalgebied wordt een gelijkaardige dag toegekend, te bepalen in gemeenschappelijk overleg in de onderneming. Indien 11 juli of 27 september op een zaterdag of een zondag valt, wordt deze speciale feestdag vervangen door een andere dag welke op sectorieel vlak wordt vastgesteld. De wettelijke beschikkingen inzake betaalde feestdagen zijn van toepassing op deze feestdagen van de cultuurgemeenschappen.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 20 février 1979 fixant les conditions de travail et de rémunération, chapitre VII, H « Jours de fêtes culturelles », art. 58 — conclue pour une durée indéterminée, en vigueur le 1er janvier 1979 (art. 62) · NUMAC 1979090610 · M.B. du 11 mars 1980, p. 3089 (arrêté) et p. 3090 à 3105 (convention en annexe), algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 6 septembre 1979 · gelezen op 2026-09-05
Brugdagen. De brugdagen worden jaar per jaar door het paritair comité vastgesteld : vrijdag 14 april en vrijdag 26 mei voor 2017, vrijdag 30 maart en vrijdag 11 mei voor 2018, vrijdag 19 april en vrijdag 31 mei voor 2019. De werkgevers verbinden zich er bovendien toe de kantoren en de zetels te sluiten op de zaterdagen volgend op een vrijdag of voorafgaand aan een maandag die een brugdag, een wettelijke feestdag of de vervanging van een wettelijke feestdag zijn, evenals op de zaterdagen die onmiddellijk voorafgaan aan een zondag die een feestdag is. Die sluiting sluit niet uit dat er op de hoofdzetel een aanwezigheid is van maximum vijf personen om de saldoconsultatie door de zelfstandige agenten mogelijk te maken en de vereiste informaticaondersteuning te verzekeren ; de betrokken personeelsleden ontvangen voor hun aanwezigheid op die zaterdagen een compensatie van 150 pct., behoudens gunstiger voorwaarden overeengekomen op het vlak van de onderneming.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 juin 2016 fixant les jours de pont pour les années 2017, 2018 et 2019, art. 3 à 7 — prise en exécution des art. 58 et 59 de la CCT du 20 février 1979 ; entrée en vigueur le 1er janvier 2017, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2019 (art. 8) · dépôt 134338/CO/308 · avis de dépôt M.B. du 16 août 2016 · A.R. publié au M.B. du 21 septembre 2017, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 30 août 2017 · gelezen op 2026-09-05
Voor de toepassing van de jaarlijkse vakantie worden twintig effectieve vakantiedagen toegekend. Zonder afbreuk te doen aan gunstiger individuele verworven toestanden, wordt de vakantie voor anciënniteit als volgt vastgesteld : vanaf tien jaar tot minder dan vijftien jaar dienst in de onderneming, één bijkomende dag ; vervolgens een bijkomende dag per schijf van vijf jaar dienst. De anciënniteit moet verworven zijn op 31 maart van het jaar waarin de vakantie wordt genomen. Aan de ouder wordende werknemers worden bovendien bijkomende vakantiedagen toegekend naar rata van één dag aan de mannelijke en vrouwelijke werknemers die respectievelijk de leeftijd van zestig en vijfenvijftig jaar hebben bereikt, en vervolgens één bijkomende dag per levensjaar tot vierenzestig en negenenvijftig jaar ; de leeftijd moet bereikt zijn op 31 maart van het jaar waarin de vakantie wordt genomen. In geen geval mag het totaal van de vakantiedagen toegekend in toepassing van die drie regels achtentwintig effectieve werkdagen per jaar overschrijden.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 20 février 1979 fixant les conditions de travail et de rémunération, chapitre VII, B, C et D, art. 51, 52 et 53 · NUMAC 1979090610 · M.B. du 11 mars 1980, p. 3089 (arrêté) et p. 3090 à 3105 (convention en annexe), algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 6 septembre 1979 · gelezen op 2026-09-05