mijnloonbrief.be

PC 341 — PARITAIR COMITE VOOR DE BEMIDDELING IN BANK- EN BELEGGINGSDIENSTEN

Minimumloon dat wij toetsen

€ 2 124,55 per maand

PC 341: categorie 1 (arbeider en bediende), 0 jaar ervaring, baremaloon € 1.739,27/maand op 01/01/2016 (CAO 129680/CO/341, bijlage 4). Het te respecteren MINIMUM maandloon is niet het baremaloon zelf maar baremaloon × 12 ÷ 13 = € 1.605,48/maand (methode en cijfervoorbeeld gegeven door de CAO zelf, hoofdstuk « Verduidelijking »). Op 01/01/2026 publiceert het officiële rooster van de FOD Werk 2.124,55 EUR/maand voor datzelfde vakje, zowel arbeiders als bedienden (indexering van 2,21 % in 1/2026); afdeling 2 preciseert dat de deling door 13 daar AL is gebeurd, zodat dat bedrag wel degelijk het te respecteren minimum is. Het gepubliceerde studententarief bedraagt 1.696,92 EUR/maand — maandelijks, dus niet geschikt voor het uurveld van de motor. De categorieën 2 tot 7 en de ervaring (tot 46 jaar) geven recht op meer.

Bron: CAO 129680/CO/341 van 09/07/2015 (functieclassificatie en loonbeleid), bijlage 4, bijlage 4, barema's op 01/01/2016 + hoofdstuk Clarification (omzetting 12/13) (neerlegging 129680) — van kracht op 2026-01-01 de tekst lezen

Wat de loonbrief berekent

  • het minimumloon
  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • de eindejaarspremie
  • de ecocheques
  • de verplaatsingskosten
  • zondag en feestdagen
  • de sectorale bijdragen
  • de vermeldingen op de afrekening

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR COMITE VOOR DE BEMIDDELING IN BANK- EN BELEGGINGSDIENSTEN
  • Registercode : 3410000
  • Statuten : arbeiders en bedienden

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Wekelijkse arbeidsduur: 37 u 30

Lager dan het wettelijke maximum van 38 uur. Een reglement dat 38 uur vermeldt, is voor dit comité onwettig.

Referteperiode : het gemiddelde van 37 uur 30 minuten moet op jaarbasis worden bereikt

De normale wekelijkse arbeidsduur wordt over maximaal 5,5 dagen gespreid, uitgezonderd voor gevallen van dringende noodzaak omwille van de uitbating. De voltijdse arbeidsduur wordt vanaf 1 januari 2016 vastgelegd op gemiddeld 37 uur 45 minuten per week op jaarbasis, en vanaf 1 januari 2017 op gemiddeld 37 uur 30 minuten per week op jaarbasis. De arbeidsduurvermindering moet de facto gebeuren in volle en halve dagen; bestaande gunstiger regelingen blijven bestaan. De bepalingen inzake de arbeidsduur zijn van toepassing op de deeltijdse werknemers in verhouding tot hun arbeidsregime.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 mars 2016 modifiant la CCT du 9 juillet 2015 relative au temps de travail, art. 3, remplaçant l'alinéa 1er de l'art. 2 et l'art. 2, § 1er, de la CCT du 9 juillet 2015 (131332/CO/341) — en vigueur le 1er janvier 2016, durée indéterminée ; art. 3 de la CCT du 9 juillet 2015 pour les temps partiels · dépôt 133443/CO/341 (et 131332/CO/341) · A.R. publié au M.B. du 20 février 2017, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 janvier 2017 · gelezen op 2026-09-05

Het einde van de werkdag wordt vastgelegd op 19 uur, maximaal 2 dagen per week, met uitzondering van zaterdag, voor de werknemers van categorie 1, 2 en 3. De arbeidsuren worden in gemeenschappelijk akkoord vastgelegd tussen de werkgever en de werknemer, maar eindigen ten laatste om 20 uur voor de werknemers van categorie 4, 5, 6 en 7, en dit maximaal 2 dagen per week, met uitzondering van zaterdag. Tussen 19 uur en 20 uur is er een overloon van 15 pct. voorzien.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 23 novembre 2017 modifiant la CCT du 9 juillet 2015 et la CCT du 21 mars 2016 relatives au temps de travail, art. 2, remplaçant l'art. 2, § 2, de la CCT du 9 juillet 2015 — en vigueur le 1er janvier 2018, durée indéterminée · dépôt 143345/CO/341 · texte lu en annexe de l'A.R. au Moniteur belge du 3 août 2018, p. 61106-61107, NUMAC 2018/202891, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 15 juillet 2018 · gelezen op 2026-09-05

Het werk op zaterdag mag uitgevoerd worden van 8u30 tot 13u met een maximum van 4 uren.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 23 novembre 2017 modifiant la CCT du 9 juillet 2015 et la CCT du 21 mars 2016 relatives au temps de travail, art. 3, remplaçant l'art. 2, § 3, de la CCT du 9 juillet 2015 — en vigueur le 1er janvier 2018 · dépôt 143345/CO/341 · texte lu en annexe de l'A.R. au Moniteur belge du 3 août 2018, p. 61107, NUMAC 2018/202891 (le PDF servi par le registre du SPF rend « de 8h30 à Bh », illisible), algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 15 juillet 2018 · gelezen op 2026-09-05

Behalve de wettelijke feestdagen is de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten ook gesloten gedurende vier dagen per jaar; de data van de sluitingen worden bepaald door het paritair comité. Deze sluitingsdagen omvatten de verlofdagen toegekend als compensatie voor de wettelijke feestdagen welke samenvallen met dagen waarop normaal niet wordt gewerkt. De werknemers genieten in 2026 van 2 vrije dagen te kiezen in overeenstemming met de bedrijfsleiding; in 2027 van 2 vrije dagen te kiezen in overeenstemming met de bedrijfsleiding, waarvan 1 ter vervanging van zaterdag 1 mei; in 2028 van een vrije dag op dinsdag 26 december en van 1 vrije dag te kiezen in overeenstemming met de bedrijfsleiding. Voor het jaar 2026 wordt de regionale feestdag die op een zondag valt voor de werknemers tewerkgesteld in het Waalse Gewest en op een zaterdag voor de werknemers tewerkgesteld in het Vlaamse Gewest, vervangen door een bijkomende vrije dag, te kiezen in overeenstemming met de bedrijfsleiding; voor het jaar 2027 geldt hetzelfde voor de regionale feestdag die op een zondag valt voor de werknemers tewerkgesteld in het Vlaamse Gewest. Voor werknemers die in een deeltijds arbeidsregime tewerkgesteld zijn, worden de vrij te kiezen dagen pro rata toegekend. De banksluitingsdagen worden integraal toegepast van zodra de werknemer in dienst treedt; bij uitdiensttreding worden de niet opgenomen banksluitingsdagen uitbetaald.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 11 septembre 2025 relative à la fixation des journées de fermeture bancaire et au remplacement des jours fériés pour la période du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2028, art. 2 à 5 · dépôt 195636/CO/341 · A.R. publié au M.B. du 22 janvier 2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 11 janvier 2026 · gelezen op 2026-09-05

Vervangingsfeestdagen vastgesteld door het paritair comité. Voor het jaar 2026: de feestdag van 15 augustus, die op een zaterdag valt, gewone inactiviteitsdag, wordt vervangen door vrijdag 3 april; de feestdag van 1 november, die op een zondag valt, wordt vervangen door vrijdag 15 mei. Voor het jaar 2027: 15 augustus, die op een zondag valt, wordt vervangen door vrijdag 26 maart; 1 mei, die op een zaterdag valt, wordt vervangen door 1 vrije dag; 25 december, die op een zaterdag valt, wordt vervangen door vrijdag 7 mei. Voor het jaar 2028: 1 januari, die op een zaterdag valt, wordt vervangen door vrijdag 14 april; 11 november, die op een zaterdag valt, wordt vervangen door vrijdag 26 mei.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — Décision du 11 septembre 2025 de la Commission paritaire 341 concernant le remplacement des jours fériés en 2026, 2027 et 2028, art. 2 à 4, annexée à la CCT du 11 septembre 2025 (loi du 4 janvier 1974 sur les jours fériés, art. 6) · dépôt 195636/CO/341 · A.R. publié au M.B. du 22 janvier 2026, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 11 janvier 2026 · gelezen op 2026-09-05

Behoudens andere bepalingen overeengekomen op ondernemingsvlak wordt de jaarlijkse gratificatie (eindejaarspremie of dertiende maand), gelijk aan het maandloon, uiterlijk betaald hetzij bij het indienen van de maatschappelijke rekeningen, hetzij op het einde van het burgerlijk jaar, dit wil zeggen in de maand december.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 9 juillet 2015 relative à la gratification annuelle, chapitre 2, § 5 (durée indéterminée ; chapitre modifié par la CCT du 25 février 2016, 132780/CO/341, qui ne touche pas au § 5) · dépôt 128836/CO/341 · A.R. publié au M.B. du 2 août 2016, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 29 juin 2016 · gelezen op 2026-09-05

Er wordt een extra verlofdag toegekend, al naargelang de werknemer aanspraak kan maken op een ononderbroken anciënniteit van minstens vijf (5) jaar, van minstens tien (10) jaar, van minstens vijftien (15) jaar, van minstens twintig (20) jaar of van minstens vijfentwintig (25) jaar, met een maximum van 5 dagen per jaar. Aangezien deze verlofdagen afhankelijk zijn van de anciënniteit, speelt het geen rol of de werknemer voltijds dan wel deeltijds werkt. Als de werknemer deze verlofdagen niet opneemt vóór 31 december van het lopende jaar, verliest hij daar definitief zijn recht op, net als de eraan verbonden verloning. Op dit type verlof is geen enkele vorm van dubbel vakantiegeld verschuldigd: enkel de dagelijkse verloning wordt tijdens dit verlof betaald. In geval van contractbreuk tijdens het lopende jaar moet er geen enkel salaris of premie betaald worden op de niet opgenomen dagen conventioneel verlof.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 9 juillet 2015 relative au temps de travail, art. 4, dont le premier alinéa a été remplacé par l'art. 2 de la CCT du 15 octobre 2019 (154967/CO/341, en vigueur le 15 octobre 2019, durée indéterminée) · dépôt 131332/CO/341 et 154967/CO/341 · A.R. publiés au M.B. des 20 février 2017 et 14 avril 2020, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 8 janvier 2017 et A.R. du 6 mars 2020 · gelezen op 2026-09-05

In uitvoering van de hoofdstukken 9 en 12 van de wet van 3 oktober 2022 houdende diverse arbeidsbepalingen wordt een individueel opleidingsrecht voorzien dat voor een voltijdse werknemer ten minste 2 dagen per jaar bedraagt in de ondernemingen die minder dan 10 werknemers tewerkstellen. In de ondernemingen die minimum 10 en minder dan 20 werknemers tewerkstellen, bedraagt het 2 opleidingsdagen per jaar in 2023 en 2024, 2,5 dagen in 2025 en 2026, 3 dagen in 2027 en 2028, 3,5 dagen in 2029 en 4 dagen in 2030. In de ondernemingen die 20 of meer werknemers tewerkstellen, bedraagt het 4 opleidingsdagen per jaar in 2023 en 5 opleidingsdagen per jaar vanaf 2024. Dit aantal dagen mag niet lager zijn dan een eventueel reeds toegekend recht op meer individuele opleidingsdagen aan de betreffende werknemer bij de werkgever. Het aantal tewerkgestelde werknemers en het aantal dagen voor werknemers die niet voltijds of niet gedurende het ganse kalenderjaar tewerkgesteld zijn, worden berekend overeenkomstig artikel 50, §§ 2 en 3, van dezelfde wet. In aanmerking komen de formele en informele opleidingen in de zin van artikel 50, § 1, a) en b), met inbegrip van de opleidingen binnen het kader van de permanente vormingsplicht zoals voorzien door de fsma voor de bemiddeling en distributie van bank- en beleggingsdiensten, verzekeringen en herverzekeringen en kredietbemiddeling.
Rubriek 18° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 26 septembre 2023 relative à la formation, art. 2 à 4 (durée indéterminée) · dépôt 183179/CO/341 · A.R. publié au M.B. du 23 février 2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 4 février 2024 · gelezen op 2026-09-05

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 341