PC 315.01 — PARITAIR SUBCOMITE VOOR HET TECHNISCH ONDERHOUD, BIJSTAND EN OPLEIDING IN DE LUCHTVAARTSECTOR
Minimumloon dat wij toetsen
€ 11,84 per uur · € 1 949,65 per maand
PSC 315.01 (technisch onderhoud, bijstand en opleiding in de luchtvaartsector): sectoraal minimumloon, exclusief premies en toeslagen (ploeg, nacht...), voor normale prestaties, weekregime 38 u (bedragen proportioneel aan te passen voor een ander regime, bv. 40 u). Cao van 15/10/2015, neerlegging 130299: 10,74 €/u en 1.768,52 €/maand op 01/01/2016, dan 11,32 €/u en 1.864,03 €/maand op 01/01/2017. 🛑 Twee verhogingen volgden, en zij komen niet uit een loon-cao: art. 2 van de cao van 30/06/2023, neerlegging 181406/CO/315.01, verhoogt die sectorale minimumlonen met 0,26 EUR/u in de 38-urenweek op 01/01/2024, EN daarna met 0,26 EUR/u op 01/01/2026. De bodem bedraagt dus 11,58 EUR/u sinds 2024 en 11,84 EUR/u sinds 2026 (1.906,84 EUR en 1.949,65 EUR/maand, omgerekend met de factor die het gepubliceerde koppel van 2017 zelf bevestigt). Die cao geldt voor onbepaalde duur en werd algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19/12/2023, B.S. van 10/01/2024. ⚠️ DEZE BODEM LIGT LAGER DAN WAT U VERSCHULDIGD BENT: de bedragen worden bovendien bij elke spilindex geïndexeerd door de cao van 21/03/2014 (neerlegging 120955), en geen enkele geïndexeerde waarde wordt gepubliceerd. Pas de geïndexeerde tabel van uw subcomité toe; het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (cao nr. 43) is u hoe dan ook bovendien verschuldigd.
Bron: CAO van 15 oktober 2015 betreffende de uitvoering van het sectoraal akkoord 2015-2016, luik minimumlonen (PSC 315.01), §3 (minimumuurloon, regime 38 u) en §4 (minimummaandloon, voltijds) (neerlegging 130299) — van kracht op 2017-01-01 de tekst lezen
Wat de loonbrief berekent
- het minimumloon
- de Dimona
Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen
- het flexiloon
- de eindejaarspremie
- de uurpremies
- de maaltijdcheques
- de verplaatsingskosten
- het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid
- zondag en feestdagen
- de tijdelijke werkloosheid
- de sectorale bijdragen
- de vermeldingen op de afrekening
Identiteit en indexering
- Officiële benaming : PARITAIR SUBCOMITE VOOR HET TECHNISCH ONDERHOUD, BIJSTAND EN OPLEIDING IN DE LUCHTVAARTSECTOR
- Registercode : 3150100
- Onder comité PC 315
- Statuten : arbeiders en bedienden
Wat het arbeidsreglement moet vermelden
Wekelijkse arbeidsduur: 38 uur
Ondernemingen die de effectieve wekelijkse arbeidsduur bij collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsniveau op 40 uur hebben vastgelegd, mits toekenning van compensatie-uren: 40 uur
CCT du 7 juillet 2005, « abrogation et remplacement de diverses conventions dans le secteur », art. 3, deuxième phrase (en vigueur le 7 juillet 2005, durée indéterminée) · dépôt 80947/CO/315.01 · avis de dépôt M.B. du 16 novembre 2006 · gelezen op 2026-09-05
Referteperiode : de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uur wordt bereikt over een periode van 12 maanden; bij overschrijding van dat gemiddelde wordt de referentieperiode van artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 eveneens op 12 maanden vastgelegd
De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur bedraagt maximum 38 uren per week gespreid over een periode van 12 maanden. Niettegenstaande de wettelijke afwijkingen, mag de effectieve wekelijkse arbeidsduur door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsniveau, op maximum 40 uren per week worden vastgelegd mits toekenning van compensatie-uren.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 7 juillet 2005, « abrogation et remplacement de diverses conventions dans le secteur », art. 3 (en vigueur le 7 juillet 2005, durée indéterminée) · dépôt 80947/CO/315.01 · avis de dépôt M.B. du 16 novembre 2006 · gelezen op 2026-09-05
De van kracht zijnde uurroosters die zijn voorzien in of bepaald worden in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten binnen het Paritair subcomité nr. 315.01, worden opgeheven. De uurroosters worden vastgelegd op ondernemingsniveau.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 7 juillet 2005, « abrogation et remplacement de diverses conventions dans le secteur », art. 4 · dépôt 80947/CO/315.01 · avis de dépôt M.B. du 16 novembre 2006 · gelezen op 2026-09-05
In toepassing van artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, zal de referentieperiode in geval van overschrijding van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur op 12 maanden worden vastgelegd.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 7 juillet 2005, « abrogation et remplacement de diverses conventions dans le secteur », art. 5 · dépôt 80947/CO/315.01 · avis de dépôt M.B. du 16 novembre 2006 · gelezen op 2026-09-05
In toepassing van artikel 25bis, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 en van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 129 van 23 april 2019 van de Nationale Arbeidsraad kan het aantal vrijwillige overuren worden verhoogd van 120 uren naar 200 uren per kalenderjaar. Ondernemingen die van deze mogelijkheid gebruik willen maken, zullen hiervoor een collectieve arbeidsovereenkomst afsluiten op ondernemingsniveau. Deze regel doet geen afbreuk aan artikel 25bis, § 2, van de arbeidswet.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 23 août 2019 portant exécution de l'accord sectoriel 2019-2020, volet heures supplémentaires volontaires, art. 2 et 3 (en vigueur le 1er juillet 2019, durée indéterminée) · dépôt 153510/CO/315.01 · A.R. publié au M.B. du 29/11/2019, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 11 novembre 2019 · gelezen op 2026-09-05
Ingeval van toepassing van artikel 25 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt de periode van drie maanden waarbinnen de inhaalrust dient toegekend te worden, vastgesteld bij artikel 26bis, § 3, van dezelfde wet, op twaalf maanden gebracht; de sociale partners vragen dat hiervoor gedurende de periode van 1 januari 2026 tot 31 december 2027 een koninklijk besluit genomen wordt. De sociale partners roepen op tot overleg op ondernemingsvlak over deeltijdse arbeidsregelingen en de inpassing ervan in de arbeidsorganisatie, evenals over de optimalisatie van snelle interventies, de recuperatie van meer- en overuren en de aanpassing van uurroosters.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 31 mars 2026 portant exécution de l'accord sectoriel 2025-2026, volet organisation du travail (durée déterminée, du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2027) · dépôt 199543/CO/315.01 · avis de dépôt M.B. du 26 mai 2026 · gelezen op 2026-09-05
Bovenop de wettelijke vakantiedagen hebben de werknemers jaarlijks recht op anciënniteitsvakantiedagen die recht geven op het normaal loon, waarvan het aantal wordt vastgelegd in functie van het aantal volledig gepresteerde dienstjaren bij dezelfde werkgever : 1 dag vanaf 5 jaar tot minder dan 10 jaar, 2 dagen vanaf 10 jaar tot minder dan 15 jaar, 3 dagen vanaf 15 jaar tot minder dan 20 jaar, 4 dagen vanaf 20 jaar tot minder dan 25 jaar, 5 dagen vanaf 25 jaar, en maximaal 6 dagen vanaf 30 jaar anciënniteit in de onderneming, waarbij één volledige dag overeenstemt met 7,6 uur. Voor arbeidsstelsels waarbij werknemers gemiddeld minder dan 5 dagen per week werken, worden die dagen in uren uitgedrukt op basis van een daggemiddelde berekend door de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur te delen door 5. De overige modaliteiten tot bepaling en opname van die dagen worden op ondernemingsniveau vastgelegd; voor werknemers tewerkgesteld in weekendploegen kunnen afwijkende bepalingen worden voorzien, en ondernemingen die op de datum van ondertekening al een bestaande regeling hadden, blijven die in afwijking van het sectoraal systeem toepassen.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 mars 2014 concernant les jours de congé d'ancienneté, art. 3 (durée indéterminée ; elle abroge et remplace l'art. 10 de la CCT du 7 juillet 2005), modifiée par la CCT du 16 novembre 2021 portant exécution de l'accord sectoriel 2021-2022, volet congé d'ancienneté, art. 3 (dépôt 169201/CO/315.01, A.R. du 20 mai 2022, M.B. du 18/11/2022, en vigueur le 1er janvier 2022, durée indéterminée) · dépôt 120956/CO/315.01 · A.R. publié au M.B. du 07/01/2015, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 9 octobre 2014 · gelezen op 2026-09-05
De werknemers die de leeftijd van 60 jaar of ouder hebben bereikt, hebben recht op één dag leeftijdsverlof per jaar, dat kan worden opgenomen vanaf de eerste dag van de maand waarin men de leeftijd van 60 jaar bereikt. Dat verlof geeft recht op een volledige dag bezoldigde afwezigheid, ongeacht het tewerkstellingsregime; één volledige dag in een voltijdse tewerkstelling komt overeen met 7,6 uur in een 38-urenweek of 8 uur in de 40-urenweek, en de berekening van de verloning gebeurt conform de wettelijke bepalingen betreffende de feestdagen. Het leeftijdsverlof dient te worden opgenomen binnen het kalenderjaar, tenzij op ondernemingsvlak een schriftelijk collectief akkoord werd gesloten dat in overdraagbaarheid voorziet; de ondernemingen moeten op hun vlak collectieve en individuele planningsafspraken maken.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 31 mars 2026 portant exécution de l'accord sectoriel 2025-2026, volet congé d'âge, art. 2 à 3 (en vigueur le 1er janvier 2026, durée indéterminée) · dépôt 199545/CO/315.01 · avis de dépôt M.B. du 26 mai 2026 · gelezen op 2026-09-05
Paritair comité 315 : de andere comités
PC 315.01 is een onderafdeling van paritair comité 315. Dezelfde familie telt: