mijnloonbrief.be

PC 319.01 — PARITAIR SUBCOMITE VOOR DE OPVOEDINGS- EN HUISVESTINGSINRICHTINGEN EN -DIENSTEN VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

Minimumloon dat wij toetsen

€ 2 396,99 per maand

PSC 319.01: de ondergrens is het GEWAARBORGD BRUTO JAARLOON van artikel 4 §1 van de cao van 1 december 2022 (neerlegging 177864/CO/319, KB van 18/06/2023, BS van 26/09/2023). Dat bedrag — 23.133,23 EUR/jaar — is gepubliceerd « aan 100 % », dus op het niveau van spilindex 109,34 (basis 2013): het is NIET als dusdanig betaalbaar. Artikel 15 §4 herberekent het bij elke overschrijding van een spilindex, met de coëfficiënt 1,02 tot de macht n (n = rang van de bereikte spilindex, afgerond op het tienduizendste), vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de overschrijding. Sindsdien zijn elf spilindexen overschreden: op 1 augustus 2026 (spilindex 135,95, bereikt in juni 2026) bedraagt het gewaarborgde bedrag 28.763,86 EUR/jaar, ofwel 2.396,99 EUR/maand (÷12) of 14,5566 EUR/u bij een 38-urenweek (÷1976), beide omrekeningen volgens artikel 2 §4. Een werknemer die in een functiebarema is ingeschaald heeft recht op meer zodra zijn trap dit gewaarborgde bedrag overstijgt, en de motor kent zijn functie niet: dit cijfer is een ondergrens, geen baremiek loon.

Bron: CAO van 1 december 2022 betreffende de loonvoorwaarden in uitvoering van het 6e Vlaams intersectoraal akkoord (neerlegging 177864/CO/319, neergelegd onder het moedercomité 319, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 18 juni 2023, Belgisch Staatsblad van 26 september 2023), integraal gelezen — en afgevlakte gezondheidsindex basis 2013 gepubliceerd door Statbel voor de overschrijdingen van de spilindex, art. 4 §1 (gewaarborgd jaarbedrag van 23 133,23 € en de koppeling ervan aan de spilindex 109,34), art. 15 §3 (de bedragen zijn uitgedrukt aan 100 %), art. 15 §4 (coëfficiënt 1,02^n, afgerond op het tienduizendste, uitwerking op de eerste dag van de tweede daaropvolgende maand, en definitie van de reeks spilindexen), art. 2 §4 (maandelijkse omzetting ÷ 12 en uurlijkse ÷ 1 976) (neerlegging 177864) — van kracht op 2026-08-01 de tekst lezen

Wat de loonbrief berekent

  • het minimumloon
  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • het flexiloon
  • de eindejaarspremie
  • de uurpremies
  • de verplaatsingskosten
  • het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid
  • zondag en feestdagen
  • de tijdelijke werkloosheid
  • de sectorale bijdragen

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR SUBCOMITE VOOR DE OPVOEDINGS- EN HUISVESTINGSINRICHTINGEN EN -DIENSTEN VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
  • Registercode : 3190100
  • Onder comité PC 319
  • Statuten : arbeiders en bedienden

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Dit paritair comité stelt geen wekelijkse arbeidsduur vast voor zijn hele toepassingsgebied. Neem de 38 uur van een model niet zomaar over: lees hieronder wat het comité wél schrijft.

Referteperiode : in de regel vier opeenvolgende weken ; door de sectorale overeenkomst gebracht op zes maanden of 26 opeenvolgende weken, en tot twaalf maanden of 52 opeenvolgende weken bij ondernemings-cao

De grenzen van de arbeidsduur vastgesteld bij de artikelen 19 en 20 van de arbeidswet van 16 maart 1971, of een lagere grens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, mogen worden overschreden op voorwaarde dat gedurende een periode van vier opeenvolgende weken gemiddeld niet meer uren worden gewerkt dan door of krachtens die bepalingen is bepaald. Die periode van vier weken kan tot ten hoogste twaalf maanden worden verlengd door het sluiten van een algemeen verbindend verklaarde sectorale collectieve arbeidsovereenkomst die de nadere regels ervan vaststelt.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — A.R. du 18 février 2024 relatif à la durée du travail des travailleurs occupés dans des institutions et services ressortissant à la Sous-commission paritaire des établissements et services d'éducation et d'hébergement de la Communauté flamande (SCP 319.01), art. 2 · NUMAC 2024200330 · M.B. du 29 février 2024, p. 28466 · gelezen op 2026-09-05

In uitvoering van artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, van artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 februari 2024 en van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt de referteperiode verlengd tot maximaal zes opeenvolgende maanden of 26 opeenvolgende weken ; de gemiddelde contractuele wekelijkse arbeidsduur moet op het einde van die periode gerespecteerd zijn. Op het einde van de eerste drie opeenvolgende maanden of de eerste dertien opeenvolgende weken kan een contingent van maximum 50 uren gepresteerd boven de gemiddelde contractuele wekelijkse arbeidsduur worden overgedragen naar de volgende drie maanden of dertien weken. Die periode van zes maanden of 26 weken hoeft niet noodzakelijk samen te vallen met een kalendersemester, maar moet identiek zijn voor alle werknemers binnen de voorziening. Bij ondernemings-cao kan zij worden verlengd tot twaalf opeenvolgende maanden of 52 opeenvolgende weken, waarbij de overdracht van 50 uren mogelijk blijft op het einde van elke periode van drie maanden of dertien weken.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 16 avril 2024 relative à l'organisation du travail et à la stabilité des horaires, art. 6 · dépôt 187703/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 4 décembre 2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 1er octobre 2024 · gelezen op 2026-09-05

De uurroosters worden in drie stappen opgemaakt en bekendgemaakt. Stap 1 — gepland uurrooster : het heeft betrekking op één maand en wordt, op basis van een raadpleging van de werknemers en rekening houdend met de noden van de dienst, opgemaakt uiterlijk drie maanden vóór de aanvang van de maand waarop het betrekking heeft ; het respecteert de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur over een periode van ten hoogste drie opeenvolgende maanden of dertien opeenvolgende weken, en het wordt gecommuniceerd, samen met de eventuele wijzigingen. Stap 2 — geafficheerd uurrooster, op papier of elektronisch : het geplande uurrooster wordt geafficheerd één maand vóór de aanvang van de maand waarop het betrekking heeft ; het kan enkel worden gewijzigd met gemeenschappelijk akkoord van werkgever en werknemer, behalve wanneer de wijziging is ingegeven door de noden van de dienst, na redelijkerwijs te verwachten inspanningen van de werkgever en nadat alle mogelijke oplossingen werden uitgeput ; de werknemersvertegenwoordiging wordt per kwartaal en per dienst geïnformeerd over de wijzigingen die zonder gemeenschappelijk akkoord werden doorgevoerd. Stap 3 — definitief uurrooster : zeven kalenderdagen vóór de aanvang van de week waarop het betrekking heeft, is het uurrooster definitief voor de volledige week en kan het nog enkel worden gewijzigd in gemeenschappelijk akkoord tussen werknemer en werkgever.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 16 avril 2024 relative à l'organisation du travail et à la stabilité des horaires, art. 4 · dépôt 187703/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 4 décembre 2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 1er octobre 2024 · gelezen op 2026-09-05

Voor deeltijdse werknemers met een vast uurrooster is elke prestatie die buiten het uurrooster wordt verricht een bijkomende prestatie. Voor deeltijdse werknemers met een variabel uurrooster en in afwijking van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 25 juni 1990 worden onder bijkomende prestaties alleen die prestaties verstaan die worden verricht buiten het definitieve uurrooster, voor zover het geplande uurrooster werd opgesteld met naleving van stap 1 hierboven ; alleen die prestaties kunnen aanleiding geven tot de betaling van een toeslag, na uitputting van het krediet bedoeld in de artikelen 3 en 4 van hetzelfde besluit. De prestaties verricht boven de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur die evenwel in overeenstemming zijn met het definitieve uurrooster, worden niet meegeteld in dat krediet.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 16 avril 2024 relative à l'organisation du travail et à la stabilité des horaires, art. 8 · dépôt 187703/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 4 décembre 2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 1er octobre 2024 · gelezen op 2026-09-05

In uitvoering van artikel 38ter, § 2, 4°, van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan de periode van elf uren rust tussen twee opeenvolgende arbeidsprestaties worden teruggebracht tot minstens negen uren wanneer een avonddienst onmiddellijk wordt gevolgd door een ochtenddienst, hetzij op schriftelijk verzoek van de werknemer, hetzij met het akkoord van de werknemer om tegemoet te komen aan specifieke dienstbehoeften of in onvoorziene omstandigheden, zoals de vervanging van een arbeidsongeschikte medewerker. Die vermindering kan geen uurregeling op vaste of weerkerende basis zijn en kan bijgevolg pas voorkomen vanaf stap 2 van de opmaak van de uurroosters.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 16 avril 2024 relative à l'organisation du travail et à la stabilité des horaires, art. 9 · dépôt 187703/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 4 décembre 2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 1er octobre 2024 · gelezen op 2026-09-05

Onder slapende nachtdienst wordt verstaan de nachtdienst met overnachting op de tewerkstellingsplaats, waarbij de werkgever instaat voor de accommodatie die daartoe behoorlijk is ingericht, onder meer met het oog op de overnachting van de werknemer. Als slapende nachtdienst wordt in de sector beschouwd de periode tussen 22 uur en 6 uur ; die periode mag op het niveau van de voorziening worden verschoven tot een periode tussen 24 uur en 8 uur, op voorwaarde evenwel dat zij acht uur blijft tellen (22 uur - 6 uur, 23 uur - 7 uur, 24 uur - 8 uur). In geval van slapende nachtdienst wordt die dienst voor minstens drie uren geteld als arbeidstijd en voor minstens drie uur in het toepasselijke barema betaald. In geval van dienstverlening gedurende de slapende nachtdienst wordt die gepresteerde werktijd bijkomend dubbel geteld als arbeidstijd en betaald op basis van het dubbele van het baremieke uurloon, zonder dat de totale telling en betaling voor die dienst acht uren kan overschrijden.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 22 janvier 2007 relative aux conditions de travail et de rémunération en cas de garde de nuit dormante, art. 2 et 3 · dépôt 82036/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 17 juillet 2008, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 18 mai 2008 · gelezen op 2026-09-05

In uitvoering van artikel 9, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt het loon van het werkliedenpersoneel betaald overeenkomstig artikel 9, 1°, van dezelfde wet — dus ten minste maandelijks, en niet tweemaal per maand — en dit volgens de termijnen bepaald in het arbeidsreglement van de onderneming.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 14 novembre 2000 relative au moment de paiement du salaire de certains travailleurs, art. 2 · dépôt 56282/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 20 mai 2003, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 25 février 2003 · gelezen op 2026-09-05

Onverminderd de algemene reglementering inzake de jaarlijkse vakantie heeft elke werknemer die daarom verzoekt recht op een aaneensluitende vakantieperiode van minstens drie opeenvolgende weken tijdens het kalenderjaar, inclusief de drie weekends verbonden aan die periode. Die toekenning kan slechts uitzonderlijk worden beperkt wegens organisatorische noodwendigheden, namelijk het verzekeren van de onontbeerlijke personeelsomkadering voor het functioneren van de dienst, nadat alle beschikbare ondersteunings- of vervangingsmogelijkheden werden ingezet. Omwille van de continuïteit van de dienstverlening dient de verlofplanning tijdig te worden opgemaakt ; daartoe worden afspraken gemaakt in de ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescherming op het werk en de syndicale afvaardiging samen met de werkgever of, bij ontstentenis, in het arbeidsreglement.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2021 relative au régime des vacances annuelles, art. 3 et 4 · dépôt 164735/CO/319.01 · A.R. publié au M.B. du 20 août 2021, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 14 juillet 2021 · gelezen op 2026-09-05

Paritair comité 319 : de andere comités

PC 319.01 is een onderafdeling van paritair comité 319. Dezelfde familie telt:

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 319.01

Comités in dezelfde familie