mijnloonbrief.be

PC 328.03 — PARITAIR SUBCOMITE VOOR HET STADS- EN STREEKVERVOER VAN HET BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Geen sectoraal barema toegepast

PC 328.03 is erkend en gedocumenteerd, maar er wordt hier geen sectorale loonschaal toegepast. Meestal is dat geen achterstand van ons: de FOD Werk actualiseert sinds september 2022 enkel nog de barema's van de comités met meer dan 2 000 werknemers, en waar er nog een schaal bestaat, is die soms ouder — en dus lager — dan het interprofessioneel gewaarborgd minimum. In dat geval blijft dat minimum de beste bescherming, en het is dat wat de loonbrief toepast.

De afrekening vermeldt duidelijk welke sectorale elementen niet werden toegepast. Publiceert uw comité een schaal die wij niet hebben gezien? Zeg het ons — wij lezen ze.

Wat de loonbrief berekent

  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • het minimumloon
  • het flexiloon
  • de eindejaarspremie
  • de maaltijdcheques
  • de verplaatsingskosten
  • zondag en feestdagen

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR SUBCOMITE VOOR HET STADS- EN STREEKVERVOER VAN HET BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST
  • Registercode : 3280300
  • Onder comité PC 328
  • Statuten : arbeiders en bedienden

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Wekelijkse arbeidsduur: 40 uur

Hoger dan 38 uur: de arbeidsduurvermindering gebeurt hier via rustdagen waarvan het comité de data vaststelt. Een reglement dat 38 uur vermeldt, stemt noch met het uurrooster noch met die rustdagen overeen.

Voltijds tewerkgestelde bedienden onder het nieuwe statuut. De overeenkomst over het glijdend uurrooster onderscheidt hen uitdrukkelijk van de bedienden onder het oude statuut, en de overeenkomst van 27 november 2018 bevestigt dat de wekelijkse arbeidsduur 39 of 40 uur bedraagt naargelang het type contract.: 39 uur
CCT du 18 avril 2005 relative à la réglementation de l'horaire souple / Collectieve arbeidsovereenkomst van 18 april 2005 betreffende de regelgeving van het glijdend uurrooster, art. 1er : « La présente réglementation concerne tant les employés occupés à temps plein (40h30 - ancien statut et 39h - nouveau statut) que les employés occupés à temps partiel » — durée indéterminée ; seul son article 10 a été dénoncé, à partir du 8 avril 2009 et avec effet au 13 juillet 2009. Recoupée par l'art. 4 et l'annexe de la CCT du 27 novembre 2018 (dépôt 149458/CO/328.03, A.R. du 2 juin 2019). · dépôt 74714/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 27 mai 2005, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 3 décembre 2006, M.B. du 5 janvier 2007 · gelezen op 2026-09-06

Voltijds tewerkgestelde bedienden onder het oude statuut. Het is ook het wekelijkse uurrooster van de werknemers met een dagelijks uurrooster van 8 uur 06, vóór aanrekening van de arbeidsduurverminderingsdagen en van de drie bijkomende extralegale verlofdagen.: 40 u 30
CCT du 18 avril 2005 relative à la réglementation de l'horaire souple / Collectieve arbeidsovereenkomst van 18 april 2005 betreffende de regelgeving van het glijdend uurrooster, art. 1er : « les employés occupés à temps plein (40h30 - ancien statut et 39h - nouveau statut) » / « de bedienden in voltijdse tewerkstelling (40u30 - oud statuut of 39u - nieuw statuut) ». Confirmée par l'annexe de la CCT du 27 novembre 2018 (dépôt 149458/CO/328.03) : « pour les travailleurs qui ont un horaire journalier de 8h06, et donc une durée hebdomadaire de 39/40h, la comparaison se fera par rapport à 40h30 ». · dépôt 74714/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 27 mai 2005, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 3 décembre 2006, M.B. du 5 janvier 2007 · gelezen op 2026-09-06

Referteperiode : Eén jaar, dus twaalf maanden : dat is de referteperiode die artikel 5 van de overeenkomst van 27 november 2018 voor het voltallige personeel vaststelt, in toepassing van artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 en met inachtneming van de richtlijn 2003/88/EG, en het is ook de periode die artikel 3.1 van de overeenkomst van 30 juni 2004 aanhoudt voor de berekening van het uurgemiddelde van de voltijds tewerkgestelde bestuurders.

In overeenstemming met de wet van 16 maart 1971 is de gemiddelde wekelijkse duur van de arbeidstijd die van kracht is in de onderneming vastgesteld op 39 of 40 uur per week, met toekenning van arbeidsduurverminderingsdagen. Het rijdend personeel mag tot 10 uur per dag en 50 uur per week werken, voor zover de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur na afloop van de referteperiode gelijk is aan 40 uur. De referteperiode na afloop waarvan dat gemiddelde moet nageleefd zijn, bedraagt één jaar, dus twaalf maanden. De interne grens van de arbeidsduur, namelijk het maximale aantal uren van overschrijding van de normale wekelijkse arbeidsduurgrens dat binnen de referteperiode nog moet ingehaald worden, wordt verhoogd tot 203 uur ; zodra die grens bereikt is, mag de werknemer de wekelijkse arbeidsduur niet meer overschrijden voordat de opbouw ervan verminderd is door een aangepaste planning of door de toekenning van rust op een dag waarop hij normaal zou moeten gewerkt hebben. Het aantal vrijwillige overuren dat mag gepresteerd worden, wordt verhoogd tot 240 uur per kalenderjaar, waarvan er 60 niet meegeteld worden voor de inachtneming van de interne grens ; ze worden enkel gepresteerd op verzoek van de werkgever, met het voorafgaand schriftelijk akkoord van de werknemer, en met naleving van de dagelijkse en de wekelijkse rust. Die regels gelden voor al het personeel, met uitzondering van het personeel dat deeltijds werkt in het kader van een tijdskrediet, een thematisch verlof of een medisch halftijdse tewerkstelling, van het personeel met een glijdend uurrooster, en van de bedienden, kaderleden en directiekaderleden die niet prikken.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 novembre 2018 relative à la limite interne et à la mise en œuvre et modalisation du système d'heures supplémentaires volontaires dans le cadre de la loi du 5 mars 2017 sur le travail faisable et maniable, dite « loi Peeters » / Collectieve arbeidsovereenkomst van 27 november 2018 betreffende de interne grens en de implementatie en de modaliteiten van het systeem van vrijwillige overuren, art. 1er, 4, 5, 6, 7 et 8 — durée indéterminée, aucune fin de validité enregistrée. 🛑 Son art. 4, al. 2 attribue à l'A.R. du 7 décembre 1967 (NUMAC 1967120705, M.B. du 19 décembre 1967, p. 13067) les 50 heures par semaine et la moyenne de 40 heures : l'arrêté, lu au texte consolidé de Justel, ne porte à son art. 2 que les 10 heures par jour et une moyenne d'au plus 45 heures par semaine sur quatorze semaines au maximum. · dépôt 149458/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 18 décembre 2018, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 2 juin 2019, M.B. du 4 juillet 2019 · gelezen op 2026-09-06

Voltijds tewerkgestelde bestuurders — de werktijd wordt op jaarbasis berekend. Elke bestuurder wordt geacht een gemiddelde van 40 uur per week over één jaar te presteren, waarbij de anciënniteit geen aanleiding geeft tot de toekenning van diensten die onder het uurgemiddelde liggen. De berekeningsbasis van dat uurgemiddelde is 8 uur per dag ; een jaar komt bijgevolg overeen met 2 088 of 2 096 uren, naargelang het 365 dan wel 366 dagen telt, en een semester met 1 044 uren. Het is aan de werkgever om het werk zo te organiseren dat de bestuurder dat gemiddelde kan halen, en de bestuurder wordt maandelijks van zijn uurgemiddelde op de hoogte gebracht door middel van een individuele werktijdrekening. Op het einde van de referentieperiode geeft het positief saldo aanleiding tot de betaling van een overloon van 50 procent en wordt het negatief saldo door de werkgever ten laste genomen ; enkel de gepresteerde uren die de berekeningsbasis overschrijden, dus meer dan het gemiddelde van 8 uur per dag, zijn overuren. Een afzonderlijke urenreserve neemt de warmte-uren, de uren van de dag vóór een feestdag en de verplaatsingen op ; minimum 16 uren en maximum 24 uren per jaar blijven daarvan ter beschikking van de werkgever, in functie van de situatie van het depot en op basis van een driemaandelijkse paritaire evaluatie. Het jaarlijkse aantal rustdagen in de beurtrol is vastgelegd op 127, waaronder 13 inhaalrustdagen ADV ; het totaal aantal inhaalrustdagen ADV per jaar bedraagt 16 of 15 naargelang de bestuurder vóór of na 1 oktober 2003 in dienst is getreden. Ze moeten in de loop van het jaar worden opgenomen : ze overdragen of vroegtijdig opnemen is verboden.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 30 juin 2004 relative à l'annualisation du temps de travail des agents de conduite occupés à temps plein / Collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 2004 met betrekking tot de berekening op jaarbasis van de werktijd van de voltijds tewerkgestelde bestuurders, art. 1er, 2, 3, 4, 5 et 6 — conclue en exécution de la programmation sociale 2003-2004 du 2 juillet 2003, effet au 1er juillet 2004, durée indéterminée, aucune fin de validité enregistrée. Un erratum du greffe, joint au dépôt, corrige la colonne néerlandaise des art. 3.5 et 4.1 et complète l'annexe. La situation des agents de conduite à temps partiel fait, aux termes de l'art. 2, l'objet d'un accord séparé. · dépôt 116054/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 6 août 2013, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 25 mars 2018, M.B. du 10 avril 2018 · gelezen op 2026-09-06

Over het algemeen is een rusttijd van 11 opeenvolgende uren tussen twee prestaties gegarandeerd. In toepassing van artikel 38ter, § 2, 4° van de arbeidswet van 16 maart 1971 zal de minimale rusttijd tussen twee prestaties minimaal 8 uur bedragen. Elke wijziging van de rusttijd moet gebeuren mits toestemming van de ondernemingsraad. Die regels gelden voor het voltallige personeel, met uitsluiting van het rijdend arbeiderspersoneel van het bovengronds net, van het directiepersoneel, en van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de zin van het koninklijk besluit van 10 februari 1965.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 octobre 2011 relative au temps de repos / Collectieve arbeidsovereenkomst van 13 oktober 2011 betreffende de rusttijden, art. 1er à 4 — entrée en vigueur le 13 octobre 2011, durée indéterminée, dénonçable moyennant un préavis de trois mois ; aucune fin de validité enregistrée. Elle prend la suite de la CCT du 6 avril 2009 (dépôt 92154/CO/328.03), conclue pour un an tacitement reconductible une seule fois et expirée le 5 avril 2011. · dépôt 108115/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 13 février 2012, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 20 février 2013, M.B. du 30 mai 2013 · gelezen op 2026-09-06

Uitsluitend de werknemers die een functie van bestuurder van voertuigen op het bovengronds net, bus en tram, uitoefenen. In afwijking van artikel 38ter, § 1 van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan de rusttijd per periode van vierentwintig uur verkort worden tot ten minste 10 uur, in plaats van 11 uur, in vier gevallen : de prestaties volgens de klassieke 4/6 beurtrol, de prestaties zonder beurtrol, de prestaties die gewijzigd werden naar aanleiding van een permutatie en de prestaties die gewijzigd werden naar aanleiding van een declassering. Die afwijking is niet van toepassing op zwangere werkneemsters, die een rusttijd van 11 uur moeten genieten. De rusttijd van de werknemers die nachtprestaties leveren, namelijk prestaties waarvan het grootste deel tussen middernacht en vijf uur 's ochtends valt, bedraagt verplicht ten minste 11 uur. De beslissingen over de werkroosterwijzigingen naar aanleiding van permutaties en declasseringsaanvragen zijn de verantwoordelijkheid van de werkgever, zijn aangestelden en zijn lasthebbers, die instaan voor de toepassing van de arbeidstijden en de naleving van de minimale rusttijd.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 9 décembre 2014 relative au temps de repos entre deux prestations / Collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 2014 betreffende de rusttijd tussen twee prestaties, chapitres I et II, art. 1er à 5 — durée indéterminée, aucune fin de validité enregistrée. · dépôt 125203/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 16 février 2015, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 2 juillet 2015, M.B. du 23 juillet 2015 · gelezen op 2026-09-06

Werknemers die presteren in het kader van een variabele arbeidsduur en variabele werkroosters en die zonder beurtrol werken — het werkrooster is variabel wanneer de dagelijkse arbeidstijd niet vast is, of wanneer het begin of het einde van de prestaties niet vast is, of wanneer het aantal dagen dat in de loop van de week gepresteerd wordt niet vast is ; zonder beurtrol is het arbeidsstelsel dat niet volledig vooraf bepaald is. In toepassing van artikel 159, alinea 3 van de programmawet van 22 december 1989 en van artikel 6, § 1, 1° van de wet van 8 april 1965 wordt hun dagelijkse individuele werkrooster meegedeeld op de derde dag voorafgaand aan de dag van de prestatie, om 11 uur 's morgens. Voor de metrobestuurders zonder beurtrol wordt het twee dagen vóór de dag van de prestatie meegedeeld, om 18 uur. Voor de werknemers van de business unit Bus die voor de dienst Taxibus werken, wordt het meegedeeld op de dag voorafgaand aan de dag van de prestatie, om 11 uur. De mededeling gebeurt door het werkrooster ter beschikking te stellen in de informaticatoepassing Cyrber, de portaalsite die via een internetverbinding toegankelijk is en de individuele werkroosters bevat.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — Trois CCT du 26 avril 2017 relatives à la publicité et à la communication des horaires de travail / Drie collectieve arbeidsovereenkomsten van 26 april 2017 betreffende de bekendmaking en mededeling van de werkroosters, art. 1er à 5 de chacune, toutes à durée indéterminée et sans fin de validité enregistrée : dépôt 140913/CO/328.03 pour les travailleurs hors roulement autres que les conducteurs de métro et le service Taxibus (J-3 à 11 heures), A.R. du 31 janvier 2018 (M.B. du 23 février 2018) ; dépôt 140914/CO/328.03 pour les conducteurs de métro hors roulement (J-2 à 18 heures), même A.R. ; dépôt 140912/CO/328.03 pour les travailleurs de la BU Bus affectés au service Taxibus (J-1 à 11 heures), A.R. du 23 février 2018 (M.B. du 8 mars 2018). Elles remplacent la CCT du 9 décembre 2014 (dépôt 125163/CO/328.03), échue au 1er janvier 2017. Ces conventions se réclament elles-mêmes de l'article 6, § 1er, 1° de la loi sur les règlements de travail. · dépôts 140913, 140914 et 140912/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 23 août 2017, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 31 janvier 2018, M.B. du 23 février 2018, et A.R. du 23 février 2018, M.B. du 8 mars 2018 · gelezen op 2026-09-06

Het loon wordt in twee keer betaald. Het voorlopige loon wordt betaald uiterlijk op de laatste werkdag van de werkmaand waarop de betaling betrekking heeft, waarbij die dag zelf door een werkdag voorafgegaan moet zijn ; het houdt rekening met de gegevens die bij de werkgever bekend zijn tot aan de negende werkdag die aan die datum voorafgaat, en wordt enkel uitbetaald aan de werknemers die op de eerste kalenderdag van de volgende maand nog in dienst zijn. Het eventueel nog verschuldigde positieve saldo van het definitieve loon wordt uitbetaald uiterlijk op de tiende werkdag die volgt op de betrokken werkmaand, rekening houdend met de gegevens die bij de werkgever bekend zijn tot de laatste dag van die maand. Die regels gelden voor alle werknemers, arbeiders zowel als bedienden, met uitzondering van het directiepersoneel.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 20 janvier 2015 relative au moment du paiement de la rémunération / Collectieve arbeidsovereenkomst van 20 januari 2015 met betrekking tot het tijdstip van de betaling van het loon, art. 1er à 4 — conclue en application de l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, entrée en vigueur le 20 janvier 2015, durée indéterminée, dénonçable moyennant un préavis de trois mois. Son art. 5 prévoit expressément la transposition de ses principes dans le règlement de travail de l'entreprise ; le PDF de dépôt y écrit « 318.03 » là où il faut lire 328.03. · dépôt 125914/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 23 mars 2015, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 12 octobre 2015, M.B. du 23 octobre 2015 · gelezen op 2026-09-06

Een Kamer van Beroep doet bij advies uitspraak over de verzoeken die worden ingediend door de werknemers die om disciplinaire redenen werden ontslagen, dat wil zeggen wanneer de ontslagbeslissing genomen wordt op basis van het disciplinair dossier en de ontslagbrief ten minste één niet-verjaarde disciplinaire sanctie vermeldt. Ze onderzoekt de beslissing om de arbeidsovereenkomst te verbreken in het licht van de ernst van de verweten fouten, het disciplinair verleden en de sociale context ; ze is niet bedoeld om de hoven en rechtbanken te vervangen, en het is niet aan haar om de overeenstemming van het ontslag met de artikelen 35 en 37 tot 40 van de wet van 3 juli 1978 te beoordelen. De aanvraag is ontvankelijk als ze wordt ingediend binnen 5 werkdagen die starten op de dag na de ontslagdatum, waarbij de poststempel als bewijs geldt, per aangetekend schrijven of per e-mail aan de bestuurder-directeur-generaal, gedateerd en ondertekend, en als de werknemer niet eerder zo'n procedure genoten heeft. De secretaris antwoordt schriftelijk binnen 10 doordeweekse werkdagen, en de zitting vindt plaats binnen 20 doordeweekse werkdagen, in beide gevallen te rekenen vanaf de dag na de verzending. De werknemer kan zich laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde van de organisatie waarbij hij is aangesloten, of ervoor kiezen zich niet te laten bijstaan. Het advies, uitgebracht bij geheime stemming, wordt binnen 2 doordeweekse werkdagen na het beraad aan de algemene directie meegedeeld ; die blijft vrij om het te volgen of een andere beslissing te nemen, maar ze motiveert haar beslissing en brengt, als ze de intentie niet heeft het advies te volgen, vooraf de voorzitter daarvan op de hoogte. De eindbeslissing is onherroepelijk en wordt binnen 7 doordeweekse werkdagen na de zitting aan de werknemer en zijn verdediger meegedeeld. Leeft de werkgever die termijnen niet na, dan verbindt hij zich ertoe de verzoekende partij een vrijgevigheid van 3 000 euro bruto toe te kennen. De procedure geldt voor alle werknemers, met uitzondering van het directiepersoneel zoals bepaald volgens de geldende functieclassificatie.
Rubriek 4° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 6 octobre 2020 relative à la Chambre des Recours / Collectieve arbeidsovereenkomst van 6 oktober 2020 betreffende de Kamer van Beroep, art. 1er à 8 et 12 — entrée en vigueur à la signature, durée indéterminée, dénonçable moyennant un préavis de trois mois ; son art. 12 abroge la CCT du 9 juillet 2013 (dépôt 116482/CO/328.03), elle-même successeur du Conseil des recours institué par la CCT du 25 octobre 2002 (dépôt 72207/CO/328.03). 🛑 Elle n'a PAS d'arrêté royal (`enforced: false`), mais l'avis de son dépôt a été publié au Moniteur belge le 1er décembre 2020 : en vertu de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968, ses clauses qui touchent aux relations individuelles de travail lient tous les employeurs de la sous-commission quinze jours plus tard, sauf clause écrite contraire dans le contrat individuel. · dépôt 161767/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 1er décembre 2020 · gelezen op 2026-09-06

In principe is de werknemer niet verplicht om bereikbaar of verbonden te zijn buiten zijn normale werkuren, noch om buiten die uren op verzoeken van professionele aard te reageren : hij is niet verplicht kennis te nemen van de e-mails die aan hem gericht zijn of ze te beantwoorden, noch te reageren op oproepen, sms'en of andere berichten die buiten zijn normale werkuren aan hem zouden zijn gericht. De principes van het recht op deconnectie zijn van toepassing tijdens de rust- en verlofperiodes ; tijdens de wachtdiensten zijn ze niet van toepassing, omdat de werknemer dan bereikbaar moet zijn. Ze gelden voor het gebruik van elk digitaal hulpmiddel dat de werkgever ter beschikking stelt — computer, telefoon, smartphone, tablet — zowel voor professioneel als voor gemengd gebruik, en gelden ook voor de telewerkers, onder voorbehoud van de contractuele bepalingen die specifiek zijn voor telewerk. Ze betreffen alle werknemers, en in het bijzonder wie digitale hulpmiddelen gebruikt in het kader van zijn werk ; de managers en de directieleden moeten erop toezien dat ze het goede voorbeeld geven.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 29 avril 2024 relative au droit à la déconnexion / Collectieve arbeidsovereenkomst van 29 april 2024 met betrekking tot het recht op deconnectie, art. 1er, 2, 4.2 et 10 — conclue conformément à la loi du 26 mars 2018 relative au renforcement de la croissance économique et de la cohésion sociale, entrée en vigueur le 29 avril 2024, durée indéterminée, dénonçable moyennant un préavis de trois mois. 🛑 Elle n'a PAS d'arrêté royal (`enforced: false`), mais l'avis de son dépôt a été publié au Moniteur belge le 10 juin 2024 : en vertu de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968, ses clauses qui touchent aux relations individuelles de travail — la joignabilité en dehors des heures normales en fait partie — lient tous les employeurs de la sous-commission quinze jours plus tard, sauf clause écrite contraire dans le contrat individuel. · dépôt 187896/CO/328.03 · avis de dépôt au M.B. du 10 juin 2024 · gelezen op 2026-09-06

Paritair comité 328 : de andere comités

PC 328.03 is een onderafdeling van paritair comité 328. Dezelfde familie telt:

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 328.03

Comités in dezelfde familie