Hervorming werkloosheid: wat het Grondwettelijk Hof vernietigde
Gepubliceerd op 14 september 2026
In het kort : Met arrest nr. 96/2026 van 10 september 2026 behoudt het Grondwettelijk Hof de beperking van de werkloosheidsuitkeringen (12 maanden, met maximaal 12 maanden verlenging) en de inkorting van de inschakelingsuitkeringen tot 12 maanden. Het vernietigt enkel de overgangsregel die het recht van wie op 30 juni 2025 in de derde vergoedingsperiode zat, beperkte tot 9, 8 of 6 maanden.
Op 10 september 2026 velde het Grondwettelijk Hof zijn eerste arrest over de hervorming van de werkloosheid. Het principe van de beperking in de tijd blijft overeind, maar de regeling voor wie het langst werkloos was, noemt het Hof discriminerend. Wat sneuvelt, wat blijft, en wat dat voor een werkgever wel of niet betekent.
Het arrest van 10 september 2026, kort samengevat
Het Hof behandelde vier van de zeven beroepen tegen de programmawet van 18 juli 2025, de wet die het recht op werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperkt. Het verwerpt ze grotendeels en vernietigt één enkele bepaling: artikel 212, § 1, tweede lid, 4° tot 6°, van die wet.
Over de drie andere beroepen is nog niet beslist. Het arrest van 10 september is dus niet het laatste woord van het Hof over de hervorming.
Wat het Hof overeind liet
Het Hof erkent dat een beperking in de tijd een aanzienlijke achteruitgang van de sociale bescherming betekent. Die achteruitgang is volgens het Hof wel redelijk verantwoord, gelet op wat de wetgever wil bereiken — een hogere werkgelegenheidsgraad en een houdbare sociale zekerheid — en op de maatregelen die de gevolgen verzachten. Blijven dus bestaan:
- de beperking van het recht op werkloosheidsuitkeringen tot 12 maanden, met maximaal 12 maanden verlenging volgens het beroepsverleden;
- de inkorting van de inschakelingsuitkeringen van 36 naar 12 maanden;
- de eigen regeling voor kunstwerkers, van wie het recht niet in de tijd beperkt is;
- het behoud van de uitkeringen tijdens een opleiding tot verpleegkundige of zorgkundige, en tijdens een opleiding voor een knelpuntberoep die vóór 1 januari 2026 begon (uiterlijk tot 30 juni 2030).
Wat sneuvelt: 9, 8 of 6 maanden voor wie het langst werkloos was
Wie vanaf 1 maart 2026 tot de uitkeringen wordt toegelaten, valt onder de nieuwe algemene regeling, met in principe minstens 12 maanden. Wie vóór die datum werd toegelaten, valt onder een zogenaamde overgangsregeling.
Daarin behielden werklozen die zich op 30 juni 2025 in de derde vergoedingsperiode bevonden hun recht nog maar 9, 8 of 6 maanden vanaf 1 juli 2025. Die duur hing af van het aantal uitkeringen dat ze op 31 december 2024 hadden ontvangen: minder dan 2.496, tussen 2.496 en 6.240, of minstens 6.240.
Het Hof noemt dat verschil discriminerend. Dat iemand al lang een uitkering kreeg, rechtvaardigt geen kortere termijn dan de 12 maanden van de algemene regeling: volgens de studies waarop de wetgever steunt, heeft net die groep een van de kleinste kansen op werk, en heeft niet minder tijd nodig om zich aan te passen. De bepaling wordt vernietigd voor zover ze in een duur van minder dan 12 maanden voorziet.
Wat de RVA over het vervolg zegt
In haar bericht van 11 september 2026 meldt de RVA dat zij en de uitbetalingsinstellingen onderzoeken welke dossiers geraakt worden en welke maatregelen nodig zijn om het arrest correct uit te voeren.
Zelf contact opnemen met de RVA of de uitbetalingsinstelling is volgens de RVA op dit moment niet nodig: wie betrokken is, wordt gecontacteerd. De praktische uitvoering verschijnt later op de website van de RVA. Het arrest bepaalt zelf niet hoe de rechten worden herzien; daarom staat hier geen enkele berekening.
Voor de werkgever: niets aan te geven, wel een vraag om door te verwijzen
Het arrest gaat over de duur van het recht van werkzoekenden. Het wijzigt geen enkele verplichting van de werkgever: niet de Dimona, niet de DmfA, niet de loonbrief. Het gaat evenmin over tijdelijke werkloosheid, die u aangeeft wanneer het werk stilvalt zonder dat de overeenkomst eindigt.
Vraagt een werknemer die u aanwerft, of een kandidaat, of het arrest over hem of haar gaat? Dan ligt het antwoord niet bij u, maar bij de uitbetalingsinstelling en de RVA. Het nuttigste wat u kunt doen, is doorverwijzen naar de pagina van de RVA en naar de tekst van het arrest hieronder.
Tot slot een leestip: het persbericht van het Hof vat het arrest samen, maar bindt het Hof niet, zoals het zelf vermeldt. Wat telt, is het beschikkend gedeelte op de laatste bladzijde van het arrest.
Moet u een loonbrief opmaken? Maak in drie stappen een conforme Belgische loonbrief — de eerste van elke maand is gratis, zonder kaart.
Bronnen
- Cour constitutionnelle — Arrêt n° 96/2026 du 10 septembre 2026
- Grondwettelijk Hof — Arrest nr. 96/2026 van 10 september 2026
- ONEM — Conséquences de l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 10 septembre 2026
- RVA — Gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 10 september 2026