mijnloonbrief.be

PC 106.02 — PARITAIR SUBCOMITE VOOR DE BETONINDUSTRIE

Minimumloon dat wij toetsen

€ 17,8942 per uur

PSC 106.02: laagste categorie, kuismannen(vrouwen) (17,8942 €/u, stelsel 38 u, sinds 01/05/2026; 17,5433 €/u sinds 01/05/2025). Alle andere categorieën geven recht op meer, te beginnen met de hulparbeiders (20,0746 €/u) — en het stuk-, premie- of rendementswerk op 12,5 % meer dan het effectief betaalde loon (art. 4). Een instromer uit de drie eerste categorieën mag hoogstens zes maanden aan 90 % worden betaald (hulparbeider: 18,0671 €/u); de kuismannen(vrouwen) behoren niet tot die drie categorieën. Studenten: 70 % van het tarief hulparbeider (14,0522 €/u).

Bron: Databank "Minimumlonen" van de FOD Werkgelegenheid, PSC 1060200 — ADMINISTRATIEVE primaire bron, die de geconsolideerde loonschaal op 01/05/2025 en 01/05/2026 publiceert. Het mechanisme dat deze bedragen voortbrengt — koppeling van de lonen aan de gezondheidsindex — is algemeen verbindend verklaard bij de CAO 183430/CO/106.02 van 17/10/2023 (koninklijk besluit van 26/03/2024, bericht van neerlegging in het B.S. van 15/12/2023). ⚠️ De CAO 201155 van 02/06/2026, de meest recente gecoördineerde tekst, heeft TOT OP HEDEN noch koninklijk besluit noch bericht van neerlegging: zij dient als lezing, zij grondt niets, Artikel 3, onderafdeling 1.2 (Sectorale uurlonen); artikelen 9 tot 11, onderafdeling 1.5 (Koppeling van de lonen aan de gezondheidsindex) (neerlegging 183430) — van kracht op 2026-05-01 de tekst lezen

Wat de loonbrief berekent

  • het minimumloon
  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • het flexiloon
  • de eindejaarspremie
  • de uurpremies
  • de maaltijdcheques
  • de verplaatsingskosten
  • het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid
  • de tijdelijke werkloosheid
  • de sectorale bijdragen

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR SUBCOMITE VOOR DE BETONINDUSTRIE
  • Registercode : 1060200
  • Onder comité PC 106
  • Statuten : arbeiders

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Wekelijkse arbeidsduur: 38 uur

Referteperiode : de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur wordt OP JAARBASIS berekend, conform artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 ingelast bij artikel 76 van de herstelwet van 22 januari 1985 ; de rustdagen voorzien bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en de perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst komen als arbeidsduur in aanmerking voor die berekening

De maximumgrens van de wekelijkse arbeidsduur, vastgesteld bij artikel 19 van de arbeidswet van 16 maart 1971, wordt tot achtendertig uren verkort. De afschaffing van deze twee arbeidsuren, die uit de verkorting van de arbeidsduur voortvloeit, wordt verwezenlijkt ofwel door op verschillende dagen van de week de dagelijkse arbeidsduur in te korten, ofwel door op een dag van de week twee arbeidsuren te laten wegvallen. Deze verkorting van de arbeidsduur mag geen verlaging van de wekelijkse bezoldiging tot gevolg hebben.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 2 mai 1984 « Durée de travail » / « Arbeidsduur », conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour les agglomérés à base de ciment (aujourd'hui SCP 106.02), art. 2 · ⚠️ le taux d'adaptation des éléments de la rémunération qui clôt cet article DIVERGE ENTRE LES DEUX VERSIONS PUBLIÉES — « 5,28 p.c. » en français, « 5,26 pct. » en néerlandais (2/38 = 5,263 %). La divergence est reproduite ici telle quelle plutôt que corrigée ; elle ne porte pas sur la durée · NUMAC 1984012522, MB 31/08/1984 p. 12055-12056, références d'imprimé F. 84 — 1617 / N. 84 — 1617 · art. 6 : entrée en vigueur le 1er mai 1983, DURÉE INDÉTERMINÉE, dénonciation moyennant préavis de trois mois au président de la Commission paritaire des industries du ciment · son art. 5 abroge la CCT du 27 avril 1972 de la Commission paritaire nationale des industries du ciment (qui réduisait à quarante heures, A.R. du 27 juillet 1972, NUMAC 1972072724, MB 20/10/1972 p. 11570) et la CCT du 16 mai 1979 · aucun acte royal ne l'abroge : l'A.R. reste donc en vigueur (art. 33 de la loi du 5 décembre 1968) · texte lu EN IMAGE, le PDF du Moniteur n'ayant aucune couche de texte, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 juillet 1984 · gelezen op 2026-09-05

Vervanging van de verkorting door verlofdagen. In afwijking op de bepalingen van artikel 2 en mits het akkoord van de ondernemingsraad, of bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging, of, bij ontstentenis ervan, van de meerderheid van het personeel, kan de vermindering van de wekelijkse arbeidsduur voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur vervangen worden door het toekennen van kompensatieverlof.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 2 mai 1984 « Durée de travail » / « Arbeidsduur », art. 3 · NUMAC 1984012522, MB 31/08/1984 p. 12055-12056, références d'imprimé F. 84 — 1617 / N. 84 — 1617 · art. 6 : entrée en vigueur le 1er mai 1983, DURÉE INDÉTERMINÉE, dénonciation moyennant préavis de trois mois au président de la Commission paritaire des industries du ciment · son art. 5 abroge la CCT du 27 avril 1972 de la Commission paritaire nationale des industries du ciment (qui réduisait à quarante heures, A.R. du 27 juillet 1972, NUMAC 1972072724, MB 20/10/1972 p. 11570) et la CCT du 16 mai 1979 · aucun acte royal ne l'abroge : l'A.R. reste donc en vigueur (art. 33 de la loi du 5 décembre 1968) · texte lu EN IMAGE, le PDF du Moniteur n'ayant aucune couche de texte, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 juillet 1984 · gelezen op 2026-09-05

Verdeling van de week en zaterdagarbeid. De wekelijkse arbeidsduur wordt over DE eerste vijf dagen van de week verdeeld. De tewerkstelling op zaterdag is toegelaten : 1° in de ondernemingen waar de arbeid in drie opeenvolgende ploegen is georganiseerd, tot 16 uur ; 2° mits akkoord van de betrokken werklieden : a) in de ondernemingen waar de arbeid in twee opeenvolgende ploegen is georganiseerd, tot 13 uur ; b) in de ondernemingen waar de arbeid niet met opeenvolgende ploegen is georganiseerd, tot 12 uur.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 2 mai 1984 « Durée de travail » / « Arbeidsduur », art. 4 · NUMAC 1984012522, MB 31/08/1984 p. 12055-12056, références d'imprimé F. 84 — 1617 / N. 84 — 1617 · art. 6 : entrée en vigueur le 1er mai 1983, DURÉE INDÉTERMINÉE, dénonciation moyennant préavis de trois mois au président de la Commission paritaire des industries du ciment · son art. 5 abroge la CCT du 27 avril 1972 de la Commission paritaire nationale des industries du ciment (qui réduisait à quarante heures, A.R. du 27 juillet 1972, NUMAC 1972072724, MB 20/10/1972 p. 11570) et la CCT du 16 mai 1979 · aucun acte royal ne l'abroge : l'A.R. reste donc en vigueur (art. 33 de la loi du 5 décembre 1968) · texte lu EN IMAGE, le PDF du Moniteur n'ayant aucune couche de texte, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 27 juillet 1984 · gelezen op 2026-09-05

Berekening van de arbeidsduur op jaarbasis, en marges ten opzichte van het arbeidsreglement. Conform artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur op jaarbasis berekend. De dagelijkse arbeidsduur mag niet meer dan twee uren hoger of lager liggen dan deze voorzien in het arbeidsreglement van de onderneming, zonder dat deze negen uren mag overschrijden. De wekelijkse arbeidsduur mag niet meer dan vijf uren hoger of lager liggen dan deze voorzien in het arbeidsreglement van de onderneming, zonder dat deze vijfenveertig uren mag overschrijden. De rustdagen voorzien bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en de perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst komen als arbeidsduur in aanmerking voor de berekening die over één jaar moet worden nageleefd ; bij die berekening wordt daarentegen geen rekening gehouden met de overschrijdingen van de bij artikel 19 vastgestelde grenzen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 26, § 1, 1° en 2° van dezelfde wet. Deze bepalingen kunnen slechts worden toegepast mits voorafgaandelijk akkoord van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging, en dit ten minste één werkdag vóór de aanplakking voorzien bij de wet ; bij gebrek aan akkoord wordt de beslissing zonder verwijl voorgelegd aan een beperkt paritair comité van het subcomité.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 31 janvier 1985 « Durée du travail » / « Arbeidsduur », conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour les agglomérés à base de ciment, art. 2 à 7 — art. 8 : entrée en vigueur le 1er janvier 1985, DURÉE INDÉTERMINÉE, dénonciation moyennant préavis de trois mois · texte lu EN IMAGE, le PDF du Moniteur n'ayant aucune couche de texte · NUMAC 1985012322, MB 22/05/1985 p. 7551-7552, références d'imprimé F. 85 — 898 / N. 85 — 898 · aucun acte royal ne l'abroge, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 25 avril 1985 · gelezen op 2026-09-05

Verschoven uurrooster — het begrip wordt bepaald ten opzichte van het arbeidsreglement. Het al of niet bestaan van een verschoven uurrooster hangt af van het normale daguurrooster zoals vastgesteld in het arbeidsreglement. Een uurrooster wordt geacht verschoven te zijn wanneer het begin ervan minstens één uur valt vóór het begin van het normale daguurrooster of wanneer het einde ervan minstens één uur valt na het einde van dit uurrooster. De arbeiders die werken volgens een verschoven uurrooster hebben, voor elk van de uren die zij presteren voor of na het normale daguurrooster, recht op de ploegpremie die overeenstemt met het ogenblik waarop deze uren gepresteerd worden. Er is geen samenvoeging van de ploegenpremies voor verschoven uurrooster en de overlonen voor dezelfde uren.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2026 « Conditions de travail » / « Arbeidsvoorwaarden », sous-section 1.4, art. 8 — clause identique à l'art. 8 de la CCT du 22 septembre 2023, dépôt 183430/CO/106.02, dernière version rendue obligatoire (A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · c'est à cause de cet article que le registre du SPF range ces deux conventions sous le thème « RÈGLEMENT DE TRAVAIL » · dépôt 201155/CO/106.02 · dépôt le 02/06/2026, enregistrement le 17/08/2026 · art. 40 : effets au 1er avril 2025, DURÉE INDÉTERMINÉE, remplace la CCT du 22 septembre 2023 (183430/CO/106.02, A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · ⚠️ à la date de lecture, NI arrêté royal NI avis de dépôt publié au Moniteur : la force obligatoire de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 n'a pas encore couru pour cette version · gelezen op 2026-09-05

Ploegenarbeid. Wanneer in ploegen wordt gewerkt, hebben, onverminderd artikel 36 van de arbeidswet van 16 maart 1971, de arbeiders, zonder onderscheid van leeftijd, per werkuur recht op betaling van een premie, vastgesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van achtendertig uur. Sinds 1 mei 2025 bedraagt deze premie minimum 1,0409 EUR/uur voor de ochtend- en namiddagploegen en 3,1218 EUR/uur voor de nachtploeg ; de bedragen in euro worden tot op de vierde decimaal afgerond, 0,00005 wordt naar boven afgerond.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2026 « Conditions de travail » / « Arbeidsvoorwaarden », sous-section 1.4, art. 7 · dépôt 201155/CO/106.02 · dépôt le 02/06/2026, enregistrement le 17/08/2026 · art. 40 : effets au 1er avril 2025, DURÉE INDÉTERMINÉE, remplace la CCT du 22 septembre 2023 (183430/CO/106.02, A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · ⚠️ à la date de lecture, NI arrêté royal NI avis de dépôt publié au Moniteur : la force obligatoire de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 n'a pas encore couru pour cette version · gelezen op 2026-09-05

Interne grens en afzien van de inhaalrust. De interne grens van de arbeidsduur die per kalenderjaar moet worden nageleefd, bedraagt 143 uren. Het quotum overuren gepresteerd overeenkomstig artikel 25 (buitengewone vermeerdering van werk) of artikel 26, § 1, 3° (werken vereist door een onvoorziene noodzakelijkheid) van de arbeidswet van 16 maart 1971, waarvoor de arbeider kan afzien van de inhaalrust, wordt verhoogd tot maximum 143 uren per kalenderjaar. De uren die niet worden ingehaald, zullen volledig worden uitbetaald in de maand waarin het overwerk wordt uitgevoerd. De arbeider moet deze keuze hebben bekendgemaakt vooraleer de betaalperiode waarin de betreffende prestaties werden verricht verstreken is, en de ondernemingen bepalen zelf op welke wijze de arbeiders hun keuze dienen bekend te maken bij de personeelsdienst of enige andere dienst. De geldende informatie- en toelatingsprocedures van de artikelen 25 en 26, § 1, 3° dienen minutieus te worden nageleefd : voorafgaand akkoord van de syndicale afvaardiging en toelating van de bevoegde ambtenaar van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten voor de buitengewone vermeerdering van werk, voorafgaand akkoord van de syndicale afvaardiging voor de onvoorziene noodzakelijkheid.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2026 « Augmentation du quota d'heures supplémentaires » / « Verhoging van het quotum overuren », art. 3 à 5, conclue en exécution de la loi du 17 août 2013 et de l'A.R. du 11 septembre 2013 · ⚠️ art. 8 : elle CESSE D'ÊTRE EN VIGUEUR LE 31 DÉCEMBRE 2026 — à re-vérifier chaque année, la sous-commission la reconduisant par une convention nouvelle · dépôt 200268/CO/106.02 · dépôt le 02/06/2026, enregistrement le 16/06/2026 · avis de dépôt MB 29/06/2026 — les clauses de relations individuelles lient tous les employeurs de la sous-commission depuis le 14/07/2026 (art. 26 de la loi du 5 décembre 1968) · aucun arrêté royal à la date de lecture · gelezen op 2026-09-05

Stuk-, premie- of rendementswerk. Het voor stuk-, premie- of rendementswerk te betalen loon wordt zo berekend dat de betrokken arbeiders minstens 12,5 pct. Meer verdienen dan het effectief betaalde loon aan de arbeiders van de categorie waartoe ze behoren. Het staat de werkgever vrij de productie te bepalen die met stuk-, premie- of rendementswerk niet mag worden overschreden.
Rubriek 2° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2026 « Conditions de travail » / « Arbeidsvoorwaarden », sous-section 1.3, art. 4 et art. 5 · dépôt 201155/CO/106.02 · dépôt le 02/06/2026, enregistrement le 17/08/2026 · art. 40 : effets au 1er avril 2025, DURÉE INDÉTERMINÉE, remplace la CCT du 22 septembre 2023 (183430/CO/106.02, A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · ⚠️ à la date de lecture, NI arrêté royal NI avis de dépôt publié au Moniteur : la force obligatoire de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 n'a pas encore couru pour cette version · gelezen op 2026-09-05

Tijdstip van betaling van de eindejaarspremie en van de uitkeringen voor bestaanszekerheid. De arbeiders hebben recht op een eindejaarspremie voor zover zij op 15 december sinds drie maanden in dienst zijn in de onderneming ; deze premie wordt uitbetaald tussen 16 en 20 december. De premie wordt aangepast in verhouding tot de werkelijk gepresteerde dagen in de loop van het refertedienstjaar, waaronder wordt verstaan de periode begrepen tussen 1 december van het vorige kalenderjaar en 30 november van het betrokken jaar. Daarnaast betaalt de werkgever de dagelijkse uitkeringen voor bestaanszekerheid op de normale dagen van de uitbetaling van het loon.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2026 « Conditions de travail » / « Arbeidsvoorwaarden », section V, art. 27 et art. 31 (prime de fin d'année), et section IV, art. 23 (indemnités de sécurité d'existence) · dépôt 201155/CO/106.02 · dépôt le 02/06/2026, enregistrement le 17/08/2026 · art. 40 : effets au 1er avril 2025, DURÉE INDÉTERMINÉE, remplace la CCT du 22 septembre 2023 (183430/CO/106.02, A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · ⚠️ à la date de lecture, NI arrêté royal NI avis de dépôt publié au Moniteur : la force obligatoire de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 n'a pas encore couru pour cette version · gelezen op 2026-09-05

Anciënniteitsverlof. Voor de arbeiders met een bedrijfsanciënniteit van 18 jaar wordt jaarlijks een betaalde dag anciënniteitsverlof toegekend. Voor de arbeiders met een sectoranciënniteit van 23 jaar wordt jaarlijks een tweede betaalde dag anciënniteitsverlof toegekend. Deze worden een eerste keer toegekend in het jaar waarin de betrokken arbeider de vereiste anciënniteit bereikt.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 27 avril 2026 « Conditions de travail » / « Arbeidsvoorwaarden », section VII, art. 37 — clause identique à l'art. 38 de la CCT du 22 septembre 2023, dépôt 183430/CO/106.02, dernière version rendue obligatoire (A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · dépôt 201155/CO/106.02 · dépôt le 02/06/2026, enregistrement le 17/08/2026 · art. 40 : effets au 1er avril 2025, DURÉE INDÉTERMINÉE, remplace la CCT du 22 septembre 2023 (183430/CO/106.02, A.R. du 26 mars 2024, MB 03/05/2024) · ⚠️ à la date de lecture, NI arrêté royal NI avis de dépôt publié au Moniteur : la force obligatoire de l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 n'a pas encore couru pour cette version · gelezen op 2026-09-05

Compensatievakantiedagen en hun standaarddata. In de loop van de periode tussen 1 januari en 31 december van het kalenderjaar worden twee bijkomende compensatievakantiedagen toegekend. De toekenningsmodaliteiten worden vastgesteld op ondernemingsvlak via de bestaande overlegorganen vóór 15 december van het voorafgaande kalenderjaar. Bij ontstentenis van deze overlegorganen worden de dagen als volgt vastgelegd : vrijdag na onze lieve heer hemelvaart, en 26 december (wanneer deze op een zondag of inactiviteitsdag valt : de eerstvolgende werkdag). Het recht op deze compensatievakantiedagen bij in- en uitdiensttreding is hetzelfde zoals voorzien in de wetgeving betreffende de feestdagen, en deze dagen worden vergoed conform hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 16 septembre 2009 « Jours de vacances compensatoires » / « Compensatievakantiedagen », art. 2, §§ 1er à 5 — art. 3 : effets au 1er janvier 2010, DURÉE INDÉTERMINÉE, dénonciation moyennant préavis de trois mois · dépôt 95890/CO/106.02 · dépôt le 01/10/2009, enregistrement le 19/11/2009 · avis de dépôt MB 30/11/2009 · A.R. publié MB 08/09/2010 · aucune date de fin de validité au registre, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 13 juin 2010 · gelezen op 2026-09-05

Individueel opleidingsrecht, naar grootte van de onderneming. In ondernemingen met minder dan 10 werknemers, berekend overeenkomstig artikel 50, § 2 van de wet van 3 oktober 2022, geldt geen individueel opleidingsrecht. Voor ondernemingen met 20 of meer werknemers wordt een individueel opleidingsrecht ingevoerd overeenkomstig het volgende groeipad, dat voor een voltijds tewerkgestelde arbeider 2,5 opleidingsdagen per jaar bedraagt in 2023 en 2024, 3 dagen in 2025 en 2026, 3,5 dagen in 2027 en 2028, 4 dagen in 2029 en 2030, en 5 dagen in 2031. Dit aantal mag niet lager zijn dan een eventueel reeds toegekend recht op meer individuele opleidingsdagen aan de betreffende arbeider bij de werkgever. Voor ondernemingen die minimum 10 en minder dan 20 werknemers tewerkstellen, wordt een individueel opleidingsrecht van minimum één opleidingsdag per jaar voor een voltijds tewerkgestelde werknemer gegarandeerd overeenkomstig artikel 58, § 1 van dezelfde wet ; onverminderd dit minimum bepalen deze werkgevers jaarlijks vóór 30 september het aantal opleidingsdagen waarop de werknemers recht hebben. Het aantal opleidingsdagen voor werknemers die niet voltijds worden tewerkgesteld en/of die niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden gedurende het ganse kalenderjaar, wordt berekend overeenkomstig artikel 50, § 3.
Rubriek 18° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 22 septembre 2023 relative à la formation / betreffende de opleiding, chapitre 3, art. 6, §§ 1er et 2 — art. 8 : conclue pour une DURÉE DÉTERMINÉE, elle entre en vigueur le 1er janvier 2023 et expire LE 31 DÉCEMBRE 2031 ; elle remplace la CCT du 6 octobre 2017 (142866/CO/106.02, A.R. du 11/06/2018, MB 25/06/2018) · dépôt 182854/CO/106.02 · avis de dépôt MB 23/10/2023 · A.R. publié MB 23/01/2024 · date de fin de validité au registre : 31/12/2031, conforme à l'art. 8, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 25 décembre 2023 · gelezen op 2026-09-05

Paritair comité 106 : de andere comités

PC 106.02 is een onderafdeling van paritair comité 106. Dezelfde familie telt:

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 106.02

Comités in dezelfde familie