mijnloonbrief.be

PC 125.01 — PARITAIR SUBCOMITE VOOR DE BOSONTGINNINGEN

Minimumloon dat wij toetsen

€ 14,10 per uur

PSC 125.01: ongeschoolde werkman (de laagste categorie van de schaal), 38-urenregime over 5 theoretische dagen. De cao 185650/CO/125.01 van 21/12/2023 (art. 2, punt 3 « Uurloon ») legt 13,09 EUR/u vast op 01/01/2024; haar art. 10 tot 12 indexeren dat bedrag bij het begin van ELK kalenderkwartaal, met een quotiënt op vier decimalen, met neutralisatie van een quotiënt onder 1 en afronding op de cent. Art. 9 van de cao noemt « het indexcijfer van de consumptieprijzen » zonder het « gezondheid » te noemen, maar art. 3bis van het koninklijk besluit van 24 december 1993 (in de redactie van art. 2 van de wet van 23 april 2015) verplicht in ALLE collectieve arbeidsovereenkomsten die de lonen aan een prijsindexcijfer koppelen « rekening te houden met de afgevlakte gezondheidsindex »: die reeks, gepubliceerd door Statbel, wordt hier toegepast. De meting bevestigt dat — op de afgevlakte gezondheidsindex herspeeld reproduceert de clausule tot op de cent de 31 kwartaalschalen die de FOD Werkgelegenheid voor dit subcomité tussen 2013 en 2022 heeft gepubliceerd, en komt zij uit op de 13,09 EUR/u die in de cao staan; op het algemene indexcijfer herspeeld haalt zij er slechts 3 van de 32 en wijkt zij 48 cent af. Die clausule is algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12/09/2024 (Belgisch Staatsblad van 06/01/2025): elke herberekening die zij voorschrijft geldt dus voor alle werkgevers van de sector. Het hier toegepaste minimum is het resultaat van die herberekening, kwartaal na kwartaal, met de door Statbel gepubliceerde indexcijfers (gelezen op 05/09/2026): 14,10 EUR/u sinds 01/07/2026. De andere categorieën van dezelfde schaal, hier niet toegepast, bedragen op 01/01/2024: geoefende werkman 14,19 EUR/u en arbeider-wegvervoerder 14,19 EUR/u (+ ARAB-premie van 1,54 EUR/u) — zij volgen dezelfde indexering. LET OP: de databank Minimumlonen van de FOD volgt dit paritair subcomité niet meer sinds 01/09/2022: geen enkel administratief barema bevestigt het bedrag van 2026, en het afrondingspad kan het resultaat één cent doen verschillen.

Bron: CAO van 21 december 2023 betreffende de arbeids- en loonvoorwaarden voor de bosontginningen (PSC 125.01), ter vervanging van de CAO van 8 oktober 2003 — algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 2024, Belgisch Staatsblad van 6 januari 2025; bedragen na 01/01/2024 verkregen door toepassing van haar art. 10 tot 12 op de afgevlakte gezondheidsindex, reeks opgelegd door art. 3bis van het koninklijk besluit van 24 december 1993 (NUMAC 1993021424, in de redactie van art. 2 van de wet van 23 april 2015, NUMAC 2015014139) en gepubliceerd door Statbel (opendatabestand "CPI All base years.xlsx", kolom MS_SMOOTH_IDX, basis 2013 = 100, gelezen op 05/09/2026), art. 2, hoofdstuk 2 « Fixation des salaires », punt 3 « Salaire horaire » (basisbedrag); art. 9 tot 12, hoofdstuk 4 (driemaandelijks indexeringsmechanisme); art. 3bis van het K.B. van 24/12/1993 (opgelegde indexreeks) (neerlegging 185650) — van kracht op 2026-07-01 de tekst lezen

Wat de loonbrief berekent

  • het minimumloon
  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • de verplaatsingskosten
  • het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid
  • de tijdelijke werkloosheid
  • de sectorale bijdragen

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR SUBCOMITE VOOR DE BOSONTGINNINGEN
  • Registercode : 1250100
  • Onder comité PC 125
  • Statuten : arbeiders
  • Indexering : 01, 04, 07, 10 — laatst toegepast 2026-07-01

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Wekelijkse arbeidsduur: 38 uur

Referteperiode : het paritair subcomité stelt geen algemene referteperiode vast : de 38 uur zijn wekelijks, gespreid over een stelsel van vijf theoretische dagen. Enkel de arbeiders-wegvervoerders hebben een eigen referteperiode — maximum zes maanden — voor de overschrijdingen van de grenzen van de artikelen 19, 20 en 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971

Vanaf 1 december 1987 bedraagt de wekelijkse arbeidsduur achtendertig uur, gespreid over vijf theoretische dagen.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 décembre 2023 relative aux conditions de travail et de rémunération (en vigueur le 1er janvier 2024, durée indéterminée — art. 15 ; remplace la CCT du 8 octobre 2003, dépôt 69192, et les art. 4 et 7 de la CCT du 26 novembre 2021), art. 13 · dépôt 185650/CO/125.01 du 09/01/2024, enregistrement 29/01/2024 · avis de dépôt MB 07/02/2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 12 septembre 2024 · gelezen op 2026-09-05

Teneinde de werklieden de mogelijkheid te bieden hun arbeidsuren te regelen in functie van de weersomstandigheden, kan een flexibiliteitsregime worden ingevoerd, mits behoud van het regime van 38 uur per week. Een ondernemings-collectieve arbeidsovereenkomst biedt de mogelijkheid tot afwijking van de grens van één derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werklieden.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 décembre 2023 relative aux conditions de travail et de rémunération (en vigueur le 1er janvier 2024, durée indéterminée — art. 15 ; remplace la CCT du 8 octobre 2003, dépôt 69192, et les art. 4 et 7 de la CCT du 26 novembre 2021), art. 14 · dépôt 185650/CO/125.01 du 09/01/2024, enregistrement 29/01/2024 · avis de dépôt MB 07/02/2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 12 septembre 2024 · gelezen op 2026-09-05

Arbeiders-wegvervoerders — bedoeld wordt de werknemer die houder is van een rijbewijs type C of C+E en die de functie uitoefent van bestuurder van een voertuig met een gewicht gelijk aan of hoger dan 3,5 ton en die bij het uitoefenen van deze functie geconfronteerd wordt met de in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 opgesomde beschikbaarheidstijden. De grenzen van de arbeidsduur vastgesteld bij de artikelen 19, 20 en 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 kunnen overschreden worden op voorwaarde dat de wekelijkse arbeidsduur, berekend over een periode van maximum zes maanden, gemiddeld de bij wet of bij sectorale collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur niet overschrijdt. De werkgever moet de voorzitter van het paritair subcomité binnen de vijftien dagen na de indienstneming of de inschakeling per aangetekend schrijven op de hoogte brengen.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 29 novembre 2005 relative aux conditions de travail des ouvriers transporteurs routiers (en vigueur le 29 novembre 2005, durée indéterminée — art. 8), art. 1er, 5 et 7 · dépôt 77840/CO/125.01 · avis de dépôt MB 20/01/2006, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 4 juillet 2006 · gelezen op 2026-09-05

Arbeiders-wegvervoerders — de arbeidstijden en de niet als arbeidstijd beschouwde tijden, zoals bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, moeten worden opgetekend op een individueel document (prestatieblad) dat de chauffeur ter beschikking wordt gesteld en dat ten minste eens per maand door de werkgever en de chauffeur wordt ondertekend. Het model van prestatieblad is bij de collectieve arbeidsovereenkomst gevoegd en moet door de werkgever minstens vijf jaar worden bewaard.
Rubriek 2° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 29 novembre 2005 relative aux conditions de travail des ouvriers transporteurs routiers (en vigueur le 29 novembre 2005, durée indéterminée — art. 8), art. 6 et annexe · dépôt 77840/CO/125.01 · avis de dépôt MB 20/01/2006, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 4 juillet 2006 · gelezen op 2026-09-05

Een extra betaalde verlofdag wordt toegekend aan de arbeiders die 10 jaar anciënniteit tellen in eenzelfde onderneming of aan hen die 15 jaar anciënniteit tellen in de sector. Een tweede extra betaalde verlofdag wordt toegekend aan de arbeiders die 15 jaar anciënniteit in de sector bereiken. Deze dagen worden jaarlijks toegekend en een eerste keer in het kalenderjaar waarin de arbeider aan de voorwaarde voldoet.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 26 novembre 2021 relative aux conditions de travail et de rémunération, art. 8 (effets au 1er décembre 2021, durée indéterminée — art. 13), qui reprend la CCT du 6 juin 2011 relative au congé d'ancienneté, art. 2 (dépôt 104761/CO/125.01, A.R. du 3 août 2012), elle aussi à durée indéterminée · dépôts 170534/CO/125.01 et 104761/CO/125.01, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 31 août 2022 et A.R. du 3 août 2012 · gelezen op 2026-09-05

Er wordt één dag betaald familiaal verlof per jaar toegekend in geval van hospitalisatie van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of van kinderen die onder hetzelfde dak wonen, en in geval van ernstige materiële schade zoals schade aan de woning door een brand of een natuurramp (bijvoorbeeld een overstroming).
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 26 novembre 2021 relative aux conditions de travail et de rémunération, art. 5 (effets au 1er décembre 2021, durée indéterminée — art. 13) · dépôt 170534/CO/125.01 · avis de dépôt MB 10/03/2022, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 31 août 2022 · gelezen op 2026-09-05

De lonen of voorschotten worden minstens tweemaal per maand uitbetaald.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 décembre 2023 relative aux conditions de travail et de rémunération (en vigueur le 1er janvier 2024, durée indéterminée — art. 15 ; remplace la CCT du 8 octobre 2003, dépôt 69192, et les art. 4 et 7 de la CCT du 26 novembre 2021), art. 8 · dépôt 185650/CO/125.01 du 09/01/2024, enregistrement 29/01/2024 · avis de dépôt MB 07/02/2024, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 12 septembre 2024 · gelezen op 2026-09-05

Bij elke definitieve betaling van het loon wordt aan de werkman een afrekening overhandigd ; de gegevens die zij in de bosontginningsbedrijven moet bevatten, zijn vastgesteld bij de beslissing van 2 maart 1966 van het nationaal paritair comité voor de houtnijverheid. De conventionele minimumlonen bevatten geen raming van loon in natura zoals bepaald in artikel 6, hoofdstuk II, vijfde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon ; dit geldt eveneens voor de individuele contractuele lonen, tenzij dat gedeelte van het loon schriftelijk werd vastgesteld, aan de werknemer meegedeeld bij zijn indienstneming en ingeschreven op de individuele rekening. Elke definitieve of tijdelijke wijziging van een in de arbeidsovereenkomst vermeld punt — arbeidsvoorwaarden, functie, loonbedragen, betalingswijze — kan tijdens de uitvoering van de overeenkomst slechts worden aangebracht na formele schriftelijke instemming van de werkgever en de werknemers, en er wordt melding van gemaakt in de individuele afrekening.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 21 décembre 2023 relative aux conditions de travail et de rémunération, art. 4 et 7, qui renvoient à la décision du 2 mars 1966 de la commission paritaire nationale de l'industrie du bois déterminant les renseignements que doit contenir le décompte remis à l'ouvrier lors de chaque règlement définitif de la rémunération dans les entreprises d'exploitation forestière, rendue obligatoire par A.R. du 9 septembre 1966 (Moniteur belge du 21 septembre 1966) · dépôt 185650/CO/125.01 · avis de dépôt MB 07/02/2024 ; décision du 02/03/1966, A.R. du 09/09/1966, MB 21/09/1966, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 12 septembre 2024 et A.R. du 9 septembre 1966 · gelezen op 2026-09-05

Loon voor de feestdagen — de werkgevers van de bosontginningsbedrijven zijn, bij elke betaling van het loon aan de werklieden, een som verschuldigd gelijk aan 4,5 pct. van hun brutoloon als loon voor de feestdagen. Die regel werd genomen in uitvoering van artikel 14, § 2, tweede lid, van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en van artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april 1974, op advies van het Paritair Comité voor de houtnijverheid : hij geldt voor de werklieden van wie het loon niet per tijd wordt vastgesteld, wat het gewone stelsel is van de stukwerklonen die in hoofdstuk 2 van de sectorale overeenkomst zijn vastgesteld.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — A.R. du 30 octobre 1975 fixant, pour les exploitations forestières relevant de la Commission paritaire de l'industrie du bois, le montant et le mode de paiement du salaire afférent aux jours fériés, art. 1er et 2 (effets au 1er février 1975 — art. 3 ; aucune abrogation enregistrée sur Justel) · NUMAC 1975103009 · Moniteur belge du 20 novembre 1975, p. 14745 · dossier Justel 1975-10-30/02, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 30 octobre 1975 (il EST l'arrêté) · gelezen op 2026-09-05

Paritair comité 125 : de andere comités

PC 125.01 is een onderafdeling van paritair comité 125. Dezelfde familie telt:

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 125.01

Comités in dezelfde familie