mijnloonbrief.be

PC 102.09 — PARITAIR SUBCOMITE VOOR HET BEDRIJF VAN DE GROEVEN VAN NIET UIT TE HOUWEN KALKSTEEN EN VAN DE KALKOVENS, VAN DE BITTERSPAATGROEVEN EN -OVENS OP HET GEHELE GRONDGEBIED VAN HET RIJK

Minimumloon dat wij toetsen

€ 15,8967 per uur

PSC 102.09: de gediende ondergrens is het laagste vakje dat de cao publiceert — 15,8967 EUR/u, bedrag vastgesteld op 01/01/2025 maar hier tegengeworpen vanaf 08/05/2026, in een stelsel van 40 u/week, voor de werknemers belast met de schoonmaak van de lokalen (art. 13). De beroepscategorieën A tot G van art. 9 liggen alle hoger, in hetzelfde stelsel en op dezelfde datum: A 19,1252, B 18,8898, C 18,6438, D 18,3877, E 18,2082, F 18,0266 en G 17,8947 EUR/u. De werknemer met een studentencontract krijgt 90 % van barema G (art. 12), zijnde 16,1052 EUR/u — hoger dan de gediende ondergrens, dus hier nooit een weigeringsgrond. Deze bedragen worden niet gedesindexeerd bij overschrijding van de drempelindex door de afgevlakte gezondheidsindex (art. 19, lid 5): de ondergrens kan dus enkel stijgen, en deze blijft de laagste wettelijke.

Bron: CAO van 13 februari 2026 "Conditions de travail des ouvriers et ouvrières" (PSC 102.09), neerlegging 199106, geregistreerd op 07/04/2026 — neergelegd op dezelfde dag als het protocolakkoord 2025-2026 (neerlegging 199099), dat zelf geen enkele loontabel bevat, art. 9 (barema A-G op 01/01/2025, regime 40 u), art. 12 (student: 90 % van loon G), art. 13 (schoonmaakwerk: 15,8967 €/u), art. 19 lid 5 (niet-desindexering); tegenstelbaarheid: bericht van neerlegging in het B.S. van 23/04/2026, art. 25-26 van de wet van 5 december 1968 (neerlegging 199106) — van kracht op 2026-05-08 de tekst lezen

Wat de loonbrief berekent

  • het minimumloon
  • de maaltijdcheques
  • de Dimona

Wat de afrekening vermeldt zonder te berekenen

  • het flexiloon
  • de eindejaarspremie
  • de uurpremies
  • de verplaatsingskosten
  • het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid
  • zondag en feestdagen
  • de tijdelijke werkloosheid
  • de sectorale bijdragen
  • de vermeldingen op de afrekening

Identiteit en indexering

  • Officiële benaming : PARITAIR SUBCOMITE VOOR HET BEDRIJF VAN DE GROEVEN VAN NIET UIT TE HOUWEN KALKSTEEN EN VAN DE KALKOVENS, VAN DE BITTERSPAATGROEVEN EN -OVENS OP HET GEHELE GRONDGEBIED VAN HET RIJK
  • Registercode : 1020900
  • Onder comité PC 102
  • Statuten : arbeiders

Wat het arbeidsreglement moet vermelden

Wekelijkse arbeidsduur: 36 uur

Lager dan het wettelijke maximum van 38 uur. Een reglement dat 38 uur vermeldt, is voor dit comité onwettig.

Werknemers die volcontinu of in opeenvolgende ploegen werken — effectieve wekelijkse arbeidsduur, waarbij het jaargemiddelde van 36 uur wordt bereikt door inhaalrustdagen.: 40 uur
CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre III, art. 4 C — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 (art. 72) ; avis de dépôt publié au Moniteur belge le 23 avril 2026 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

Referteperiode : Het jaar : de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 36 uur 00 minuten wordt op jaarbasis berekend. De referteperiode is een periode van 12 maanden die overeenkomt met het kalenderjaar of met een andere periode van 12 maanden die op ondernemingsvlak wordt vastgesteld middels de sluiting van een collectieve arbeidsovereenkomst of, bij ontbreken van een vakbondsafvaardiging, middels een wijziging van het arbeidsreglement.

De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, berekend op jaarbasis, blijft behouden op 36 uur 00 minuten en moet nauwgezet worden toegepast. De toepassingsvoorwaarden inzake naleving van deze tot 36 uren zonder loonverlies verminderde arbeidsduur, zoals een vermindering van de dagelijkse en/of wekelijkse arbeidsduur en/of de toekenning van compensatierustdagen, worden bepaald op ondernemingsvlak in functie van de noden van een optimale organisatie van de productie, op initiatief van de directie en met naleving van de voor de wijziging van de arbeidstijdregelingen bepaalde overlegprocedures ; dit mag geen individuele arbeidsoverlast teweegbrengen. Bij de arbeidsstelsels met effectieve wekelijkse prestaties waarvan de duur hoger ligt dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur berekend op jaarbasis, worden compensatierustdagen toegekend, die worden bezoldigd aan het normale loon in de zin van de wetgeving betreffende de feestdagen : per reeks van effectief gepresteerde of gelijkgestelde uren die overeenstemmen met het wekelijks effectief arbeidsstelsel, heeft de werknemer recht op een aantal uren compensatierust dat gelijk is aan het verschil tussen het effectief wekelijks arbeidsstelsel en de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur berekend op jaarbasis. Om het behoud van inkomen te waarborgen wordt een vermenigvuldigingscoëfficiënt toegepast, ofwel op het loon uitgedrukt in het 40-urenstelsel, ofwel op het aantal gepresteerde of gelijkgestelde uren ; deze coëfficiënt is gelijk aan 40 gedeeld door het wekelijks effectief arbeidsstelsel, waarbij het quotiënt wordt afgerond tot de dichtstbijzijnde vierde decimaal. Voor de werknemers die volcontinu of in opeenvolgende ploegen werken, blijft de wekelijkse arbeidsduur behouden op 40 uren, met 4 uren inhaalrust per schijf van 40 werkelijk gewerkte of daarmee gelijkgestelde uren.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre III, art. 4 A à art. 4 C — remplace la CCT du 27 novembre 2023 (184477/CO/102.09) ; effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 (art. 72) ; avis de dépôt publié au Moniteur belge le 23 avril 2026, opposable à tous les employeurs de la sous-commission depuis le 8 mai 2026 par l'art. 26 de la loi du 5 décembre 1968 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

Per werknemer wordt een individuele rekening bijgehouden, waarin het aantal normale werkelijk gewerkte of gelijkgestelde uren wordt vermeld. Met normale effectieve arbeidsprestaties met het oog op de toekenning van inhaalrustdagen worden gelijkgesteld : de tien betaalde feestdagen, de dagen kort verzuim, de dagen die recht geven op een gewaarborgd weekloon, de dagen die recht geven op een vergoeding waarin de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12 van de Nationale Arbeidsraad voorziet, de dagen recuperatie van overuren, de inhaalrustdagen, de dag van Sinte-Barbara, de verlofdagen voor vakbondsopleiding en de dagen afwezigheid genomen in het kader van het betaald educatief verlof. Met arbeidsdagen worden niet gelijkgesteld : de dagen betaalde vakantie en de dagen werkloosheid. De programmering van de inhaalrustdagen gebeurt op ondernemingsvlak en houdt rekening met de eigenheid en de vereisten inzake de werking van elke dienst ; de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, de werkgever en de vakbondsafvaardiging moeten ten minste zes collectieve inhaalrustdagen vaststellen - waaronder Sinte-Barbara - die voor de werknemers zullen gelden. Tenzij een akkoord anders bepaalt, mag elke inhaalrustdag niet in halve dagen of samen met dagen jaarlijkse vakantie worden genomen ; deze dagen worden slechts betaald op het ogenblik waarop zij werkelijk worden genomen en worden voor de toepassing van de sociale wetten gelijkgesteld met gewerkte dagen.
Rubriek 1° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre III, art. 4 E et art. 4 F — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

De eindejaarspremie wordt voor een volledig dienstjaar vastgesteld op 145,75 keer het loon A zoals bepaald in artikel 9 van de overeenkomst. Deze premie wordt uiterlijk op 15 februari van het volgende dienstjaar betaald. Vóór 24 december kan een eerste aanbetaling worden gedaan ; in dat geval moet het overblijvend gedeelte van de eindejaarspremie uiterlijk op 31 januari na het dienstjaar worden betaald.
Rubriek 3° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre XII, art. 34 A — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

De opzeggingstermijnen van toepassing in geval van ontslag door de werkgever of ontslag door de werknemer zijn bepaald in de artikelen 37 en volgende van de wet van 3 juli 1978, alsook, voor de werknemers wier arbeidsovereenkomst is ingegaan vóór 1 januari 2014, in de artikelen 67 en 68 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden. Voor deze laatsten wordt de opzeggingstermijn die overeenstemt met de ononderbroken dienstanciënniteit bereikt op 31 december 2013 bepaald op basis van de regels die op die datum gelden, namelijk het koninklijk besluit van 10 november 2012 voor de algemene regeling en artikel 3 ervan voor het ontslag met het oog op het werkloosheidsstelsel met bedrijfstoeslag, dat verwijst naar artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 zoals van kracht op 31 december 2013. Voor de vaststelling van de opzeggingstermijn wordt een periode van tewerkstelling als uitzendkracht in aanmerking genomen om de anciënniteit van de arbeider te bepalen, indien die periode onmiddellijk gevolgd werd door tewerkstelling onder arbeidscontract, zonder onderbreking tot het ogenblik van het ontslag.
Rubriek 4° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre XIV, art. 38 — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

Elke betwisting betreffende de interpretatie of de toepassing van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst wordt, op initiatief van de meest gerede partij, voorgelegd aan ofwel het contactcomité ofwel het verzoeningsbureau dat op het niveau van het paritair subcomité wordt bijeengeroepen.
Rubriek 7° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre XXIII, art. 71 — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

Zonder afbreuk te doen aan de wettelijke vakantie en de eventuele compensatierustdagen toegekend met toepassing van artikel 4, wordt een betaalde verlofdag toegekend ter gelegenheid van het feest van Sinte-Barbara en een betaalde verlofdag ter gelegenheid van het feest van de Franse Gemeenschap ; de wijzen van toekenning van deze dagen worden bepaald op ondernemingsvlak. Vanaf 2026 wordt een leeftijdsgebonden vrije dag toegekend vanaf 55 jaar aan werknemers met 10 jaar anciënniteit die nog geen leeftijdsgebonden vrije dag genieten op het niveau van hun onderneming.
Rubriek 10° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, chapitre X, art. 31 et art. 32 — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

Op vraag van een of meer representatieve arbeidersorganisaties kan een syndicale delegatie worden ingesteld in bedrijven met minstens 50 arbeiders die vallen onder het toepassingsgebied van de overeenkomst. Per bedrijfszetel bedraagt het aantal effectieve en plaatsvervangende leden 1 en 1 bij minder dan 25 arbeiders, 2 en 2 tussen 25 en 74 arbeiders, 3 en 3 tussen 75 en 150 arbeiders, 4 en 4 tussen 151 en 250 arbeiders, 5 en 5 tussen 251 en 500 arbeiders ; vanaf 501 arbeiders mag het aantal effectieve leden niet meer bedragen dan een procent van het totale arbeidersbestand, en evenveel plaatsvervangende leden. Bedrijven met minder dan 50 arbeiders aanvaarden de vertegenwoordiging van 1 syndicale gesprekspartner per organisatie, verzekerd door vrijgestelden van de arbeidersvakorganisaties. In ondernemingen die tussen 30 en 49 arbeiders tewerkstellen kan een syndicale delegatie, bestaande uit een afgevaardigde per arbeidersvakorganisatie met een maximum van twee afgevaardigden, toch ingesteld worden als minstens 50 procent van de arbeiders die vallen onder het paritair subcomité, aangegeven door de werkgever aan het Fonds voor Sociale Vrede op 31 december van het voorgaande jaar, zijn aangesloten bij een arbeidersvakorganisatie. De syndicale delegatie wordt benoemd voor een periode van 4 jaar en de mandaten zijn hernieuwbaar. Haar bevoegdheden betreffen onder meer de arbeidsverhoudingen, de onderhandelingen met het oog op collectieve overeenkomsten of akkoorden binnen de onderneming, en de toepassing in de onderneming van de sociale wetgeving, van de collectieve arbeidsovereenkomsten, van het arbeidsreglement en van de individuele arbeidsovereenkomsten ; zij heeft het recht ontvangen te worden door het ondernemingshoofd of zijn vertegenwoordiger naar aanleiding van elk geschil of betwisting van collectieve aard in de onderneming, of bij dreiging van dergelijke geschillen.
Rubriek 13° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 16 décembre 2014 relative au statut de la délégation syndicale, art. 1er à art. 4, art. 9 et art. 11 — conclue conformément aux principes généraux de la CCT n° 5 du Conseil national du travail ; durée indéterminée ; remplace la CCT du 17 juillet 1975 dénoncée le 19 juin 2014 (dépôt 123379/CO/102.09) ; PDF sans couche de texte, lu en image · dépôt 125902/CO/102.09 · M.B. du 8 septembre 2015, algemeen verbindend verklaard bij A.R. du 10 août 2015 · gelezen op 2026-09-05

Elke werknemer heeft ieder jaar individueel recht op een aantal opleidingsdagen vastgelegd volgens het volgend groeipad : 3 dagen per jaar vanaf 1 januari 2025, 4 dagen per jaar vanaf 1 januari 2027 en 5 dagen per jaar vanaf 1 januari 2029. Onder beroepsopleiding verstaat men elke opleiding die de kwalificatie van de werklieden en werksters verbetert en inspeelt op de noden van een onderneming in het bijzonder of van de ondernemingen van de sector, de praktijkopleidingen inbegrepen. De voorwaarden voor de uitoefening van dit recht worden bepaald in hoofdstuk 12 van de wet van 3 oktober 2022 betreffende diverse arbeidsbepalingen. Tijdens de duur van het groeipad wordt een sectorale opleidingsdoelstelling van gemiddeld 4 dagen beroepsopleiding per voltijds equivalent voortgezet en op sectoraal niveau geëvalueerd op basis van de sociale balansen.
Rubriek 18° van art. 6, § 1, van de wet van 8 april 1965 — CCT du 13 février 2026 relative aux conditions de travail, art. 8 H — effet au 1er janvier 2025, cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2026 ; repris à l'art. 14 du protocole d'accord 2025-2026 du même jour (dépôt 199099/CO/102.09) · dépôt 199106/CO/102.09 · gelezen op 2026-09-05

Paritair comité 102 : de andere comités

PC 102.09 is een onderafdeling van paritair comité 102. Dezelfde familie telt:

Alle 177 paritaire comités

Een loonbrief maken voor PC 102.09

Comités in dezelfde familie